Het verhaal

Geschiedenis van Daisy - Geschiedenis

Geschiedenis van Daisy - Geschiedenis


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Daisy I

De bekende bloem, veel voorkomend in de Verenigde Staten en Europa.

(Sleper: t. 50; 1. 73'4"; b. 13'10"; dr. 6'; s 10 k.)

Mulford, een stoomsleepboot, werd in 1850 gebouwd in Chicago Ill., en aan het begin van de burgeroorlog door het ministerie van oorlog verworven voor gebruik in de rivier de Mississippi en haar zijrivieren. Ze werd overgebracht naar de marine 1 oktober 1862 en omgedoopt tot Daisy 24 oktober. Haar voormalige commandant, Master D.C. Bowers, U.S. Army, werd benoemd tot waarnemend vaandrig bij de marine en bleef het bevel voeren. Daisy diende actief als sleepboot in de bovenloop van de Mississippi tot het einde van de oorlog toen ze naar Mound City, III werd gebracht. Ze werd daar verkocht op 17 augustus 1865.

II
Op 20 november 1863 werd de stoomsleepboot Daisy omgedoopt tot Clover (zie aldaar).

III
De Daisy (nr. 22), veerbootlancering, diende van 1885 tot 1919 in Norfolk Nvy Yard.

NS
De vierde Daisy, een vuurtorentender, werd op 11 april 1917 overgedragen aan de marine en diende op Newport R.I., totdat hij in juli 1919 terugkeerde naar de Lighthouse Service.
V
De vijfde Daisy (nr. 1186), een yawl, diende tijdens de Eerste Wereldoorlog als onderofficier in het 7th Naval District.


Geschiedenis van madeliefjesbloem

In 1884 werd het gerbera-madeliefje in Zuid-Afrika ontdekt door de Schot Richard Jameson, maar men denkt dat madeliefjes meer dan 4000 jaar oud zijn. In de Engelse geschiedenis werd het madeliefje Day&rsquos Eye genoemd, en deze naam was een verwijzing naar de manier waarop de bloem open en dicht ging met de zon. De manier waarop het madeliefje het patroon van de zon volgde, bracht primitieve medici ertoe te geloven dat het madeliefje een remedie was voor oogproblemen. Niet alleen is gedacht dat madeliefjes oogproblemen genezen, maar blijkbaar at koning Henry V111 madeliefjes om zijn maagzweren te genezen. Er is ook gezegd dat een remedie voor krankzinnigheid was om geplette madeliefjes te drinken die in wijn waren overgoten gedurende een periode van 15 dagen. En het waren de Assyriërs die madeliefjes gebruikten om grijs haar weer donker te maken door madeliefjes te mengen met olie en tegenwoordig zouden kappers deze methode kunnen beargumenteren! Madeliefjes zijn al lang de bloem die wordt geassocieerd met de lente, en er is een uitdrukking dat de lente is aangebroken totdat je voet op 12 madeliefjes zet!

In het Frans betekent madeliefje Marguerite en het komt interessant genoeg van het Griekse woord dat Parel betekent. Francis I noemde haar zus Marguerite van Marguerites omdat ze ze als haar apparaat zou gebruiken. Volgens de Keltische legende zouden, als kinderen stierven bij de bevalling, hun geest madeliefjes op aarde sprenkelen om hun rouwende ouders op te vrolijken. Madeliefjes hebben allemaal positieve connotaties, en hun betekenissen omvatten onschuld, zuiverheid en schoonheid, en vanwege hun duizelingwekkende reeks felle kleuren waarin ze komen, betekenen ze ook vrolijkheid. Nederland en Colombia zijn tegenwoordig grote producenten van madeliefjes.


Geschiedenis

Het DAISY Consortium werd opgericht om een ​​gemeenschappelijke oplossing te vinden voor de creatie van een nieuw digitaal gesproken boeksysteem, het DAISY-formaat. DAISY werkt nu met reguliere e-boekformaten en ondersteunt trainingen over de hele wereld, maar dit is het verhaal van hoe het allemaal begon.

Begonnen in 1988 bij TPB

Het DAISY-project begon in 1988 met de erkenning van ontevredenheid over het huidige systeem van de Swedish Library of Talking Books and Braille, TPB. TPB (nu MTM) is een overheidsbibliotheek die zowel openbare bibliotheken als studenten met een leesbeperking bedient. Voor de gevorderde sprekende boekgebruiker is het zeer tijdrovend om analoge gesproken boeken te lezen. Er moest gewoon een andere manier zijn, de digitale manier.

In 1991 vroeg TPB een rijksbijdrage aan voor een driejarig project om een ​​nieuwe digitale praatboektechniek te ontwikkelen. Het oorspronkelijke plan was om een ​​DAT-speler te bedienen vanaf een inhoudsopgave op een pc. Deze plannen werden al snel verlaten vanwege de wijdverbreide acceptatie van cd-rom-spelers en de nieuwe cd-r-schijf.

Belangrijke doelen

De twee belangrijkste doelen van het driejarige project waren het ontwikkelen van een systeem dat:

  • Bewaar meer dan 20 uur ononderbroken spraak op een enkele cd-rom.
  • Geef de lezer willekeurig toegang tot het gesproken boek uit de inhoudsopgave.

In juli 1993 gaf TPB Labyrinten Data AB, een Zweeds computerbedrijf, de opdracht om software te ontwikkelen die de principes voor het opnemen en afspelen van digitale gesproken boeken kon demonstreren. De praatboeksoftware is gebaseerd op het DAISY-concept (Digital Audio-based Information System). De kern van het concept is het op zinnen gebaseerde opslag van audiobestanden. Aanvullende eisen waren:

  • Mogelijkheid om de tekst door te bladeren, zin voor zin of sectie voor sectie, waarbij sectie een verzameling zinnen is
  • Mogelijkheid om te zoeken naar verschillende delen in de op tekst gebaseerde inhoudsopgave
  • Mogelijkheid om naar specifieke pagina's in het gesproken boek te zoeken
  • Mogelijkheid om bladwijzers in het boek en in een toekomstige versie te plaatsen en te zoeken
  • Mogelijkheid om tekst te onderstrepen en aantekeningen te maken in het gesproken boek

Het eerste prototype in 1994

In 1994 was het eerste prototype van de DAISY Playback voor Windows klaar. Het project en het prototype werden in september 1994 gepresenteerd op de ICCHP-conferentie in Wenen.

Vanaf het begin was het de bedoeling om te laten zien hoe een nieuw digitaal gesproken boeksysteem het voor universiteits- en andere studenten gemakkelijker zou kunnen maken om de informatie in hun cursusliteratuur te gebruiken en er toegang toe te krijgen. Maar over de hele wereld was er een groeiende belangstelling voor een nieuw gemeenschappelijk formaat voor alle gesproken boeken.

In 1995 begonnen de dingen snel te gebeuren. In april 1995 ontmoetten enkele instellingen, die geïnteresseerd waren in de nieuwe digitale techniek, elkaar in Toronto. Een Japans bedrijf, Shinano Kenshi/Plextor, had ideeën over de ontwikkeling van een specifieke digitale gesproken boekenspeler.

Het DAISY-consortium 1996

TPB nodigde andere praatboekenbibliotheken en organisaties uit om een ​​internationaal consortium te vormen voor de promotie van een nieuwe digitale praatboekstandaard, gebaseerd op het DAISY-concept. In mei 1996 werd in Stockholm het DAISY Consortium opgericht.

  • De Japanse Vereniging van Bibliotheken voor Blinden
  • De Spaanse Nationale Blindenorganisatie, O.N.C.E.
  • Royal National Institution for the Blind, RNIB (Verenigd Koninkrijk)
  • Zwitserse bibliotheek voor blinden en slechtzienden, SBS
  • De Nederlandse Bibliotheek voor Visueel en Print Gehandicapte Studenten en Professionals, SVB
  • De Zweedse bibliotheek van gesproken boeken en braille, TPB samen met de Zweedse vereniging van visueel gehandicapten, SRF.

Tijdens de bijeenkomst in Stockholm werd een overeenkomst gesloten en werd Ingar Beckman Hirschfeldt, TPB, verkozen tot voorzitter van het DAISY Consortium.

De doelstellingen van het consortium waren:

  1. Breng het DAISY-concept tot stand als een de facto standaard voor digitale gesproken boeken voor gedrukte personen met een handicap en voor commerciële audioboeken.
  2. Beheer het project, ontwikkel geschikte tools en systemen en promoot het concept.
  3. Beheer het gebruik en de licentie van het DAISY-concept en de eigenschappen om het voordeel voor mensen met een leesbeperking te maximaliseren.

Het DAISY-project in de eerste fase, de zogenaamde '8220standaardversie'8221, werd voltooid in 1996. Het was de bedoeling dat het '8220professionele DAISY-systeem'8221 in internationale samenwerking zou worden ontwikkeld door het DAISY Consortium.

Stichting DAISY is opgericht in Amsterdam. De consortiumleden vormden tevens het bestuur van de stichting.

In oktober 1996 werd in Cambridge een consortiumvergadering gehouden. Association of Talking Book Libraries (Duitsland), bestaande uit 25 bibliotheken, werd gekozen als nieuw consortiumlid. Verschillende bibliotheken waren geïnteresseerd in het DAISY-concept, hoewel ze geen lid wilden worden van het consortium. Geïnteresseerde instellingen werden uitgenodigd om als geassocieerd lid toe te treden tot het DAISY Consortium. Geassocieerde leden konden deelnemen aan de open sessies van de vergaderingen en hadden toegang tot de software.

In april 1997 werd Hiroshi Kawamura verkozen tot tijdelijk manager van het DAISY Consortium. Hij voerde ook een wereldwijde veldtest uit van digitale gesproken boeken van DAISY die werden afgespeeld in een prototype van een Plextalk CD-ROM-speler.

Problemen met bestandsindeling in Sigtuna

Tijdens een rondetafelbijeenkomst in Sigtuna (Zweden) in mei 1997 werden problemen met het DAISY-bestandsformaat besproken. Er is een suggestie gedaan om het bestandsformaat te wijzigen in een ander formaat dat de facto een industriestandaard is en kan worden geïntegreerd met het HTML-formaat.

Na deze beslissing, Recording for the Blind & Dyslectic, trad RFB&D als tiende lid toe tot het DAISY Consortium. Andere recente leden zijn Australia New Zealand Blindness Agencies, The Danish National Library for the Blind, DBB, en Japanese Society for Rehabilitation of Disabled Persons, JSRD (die lid is van The Japanese Association of Libraries for the Blind).

In augustus 1997 werd George Kerscher gekozen tot manager van The DAISY Consortium en in oktober werd een Uitvoerend Comité gekozen (Chris Day, Kjell Hansson, Hiroshi Kawamura en Lino Rios Mejias).


Geschiedenis van Daisy - Geschiedenis

Met een algemene diameter van deze bloem variërend tussen 7 en 12 cm, is het een prachtig formaat bloem die aan vrijwel elk soort bloemstuk kan worden toegevoegd. Hun brede scala aan kleuren is een andere reden waarom gerbera's zo populair zijn. Als je kijkt naar ontwerpen die worden geadverteerd door online bloemisten, zul je merken hoeveel van hen deze specifieke bloem gebruiken in arrangementen voor allerlei gelegenheden! Na het lezen van de korte geschiedenis van deze bloem, zal het je verbazen dat zo'n 'jong' lid van de bloemenwereld een van de meest populaire bloemen kan zijn om te versturen!

Ergens in de buurt van Barbeton, Zuid-Afrika, kwam een ​​Schot met de naam Robert Jameson deze prachtige bloem tegen. Hoewel het in 1884 werd ontdekt, werd deze bloem pas ongeveer 40 jaar later gekweekt. Het gerbera-madeliefje is vernoemd naar Traugott Gerber, een Duitse botanicus.

Andere namen voor deze bloem zijn: African Daisy, Barberton Daisy en Transvaal Daisy. Het is gemakkelijk om de namen African Daisy (omdat het inheems is in Afrika) en Barberton Daisy (omdat het voor het eerst werd ontdekt in de buurt van Barberton) te begrijpen. De derde naam, Transvaal Daisy, vereist misschien enige uitleg voor degenen die niet bekend zijn met Zuid-Afrikaanse geschiedenis en aardrijkskunde. Barberton ligt ten oosten van Pretoria (de hoofdstad), dicht bij Mozambique. Door dat gebied loopt de rivier de Vaal en het gebied ten noorden van de Vaal staat bekend als de Transvaal (over de Vaal).

J.D. Hooker was de eerste die de bloem wetenschappelijk identificeerde in 1889. Hij noemde het Gerbera Jamesonii. Andere soorten komen voor in Zuid-Amerika en tropisch Azië. Deze plant is zeker een liefhebber van warm weer! Engeland begon de plant ergens rond de jaren 1890 te cultiveren en Noord-Amerika deed er nog 30 jaar over om zich bij de trend aan te sluiten.

In de Verenigde Staten produceren Californië en Florida de meeste van deze bloemen in vergelijking met de rest van de staten. In de rest van de wereld hebben Nederland en Colombia de markt stormenderhand veroverd en produceren ze de meeste snijbloemenvariëteiten. Niet alleen zijn deze bloemen populair als snijbloem, ook tuinsoorten winnen aan populariteit. Je kunt niet ontkennen dat ze een intense kleur hebben die ze naar je tuin brengen en ze kunnen overleven in zeer warme omstandigheden zolang ze maar genoeg water hebben.

De volgende keer dat u uw online of lokale bloemist bezoekt, kijk dan eens rond voor enkele arrangementen die alleen of alleen gerbera-madeliefjes bevatten. Ze zien er geweldig uit in combinatie met rozen en fresia of gewoon op zichzelf in een vaas. Je kunt een bos in één kleur bestellen of een paar van je favoriete kleuren selecteren en ze met elkaar mengen, net zoals je tulpen of rozen zou doen.


Daisy's8230 het verhaal tot nu toe

Daisy werd in 2001 opgericht door oprichter en uitvoerend voorzitter Matthew Riley.

Nadat Daisy met een handvol medewerkers was opgericht, maakte het bedrijf in de eerste vijf jaar een snelle organische groei door en werd het in 2005 uitgeroepen tot het snelst groeiende technologiebedrijf in het VK in de Sunday Times' Tech Track van 2005.

In 2007 werd Matthew Riley uitgeroepen tot de inaugurele winnaar van de Entrepreneur Challenge van de Bank of Scotland en ontving het bedrijf £ 5 miljoen aan rentevrije financiering, een schatkamer die werd gebruikt om het bedrijf verder uit te bouwen door middel van acquisitie.

In 2009 dreef het bedrijf op de 8217s Alternative Investment Market (AIM) van de London Stock Exchange.
Daisy verwerft de bedrijven of bepaalde activa van Vialtus, ATC, Eurotel en Redstone.

Daisy breidt haar aanbod van data- en telecomdiensten uit met overnames, waaronder de activiteiten van, of bepaalde activa van, BNS, Murphx, Spiritel, Outsourcery, Telenet en Worldwide.

Daisy begint haar IT-capaciteiten te ontwikkelen om te verkopen aan het bestaande klantenbestand met acquisities van Netcrowd, Indecs, Layer 3 en Daisy Data Center.

In december 2014 werd Daisy opnieuw een privébedrijf om de volgende groeifase in te gaan.

Daisy verwerft: Damovo UK en Phoenix IT Group.

Eind 2016 verwerft Daisy Alternative Networks plc, een sterke en complementaire fit met haar bestaande activiteiten en activiteiten, waardoor haar product- en dienstenaanbod voor mobiele en vaste lijnen verder wordt versterkt.

In juni 2018 breidde Daisy haar SMB Direct-klantenbestand uit met de overname van DVO2 en haar SMB Indirect-klantenbestand met de overname van Voice Mobile, een directe EE-partner.

In de zomer van 2018 werden, met behoud van de voordelen die verbonden zijn aan het deel uitmaken van de bredere Daisy Group, vier onafhankelijke bedrijven opgericht om beter te kunnen voldoen aan de behoeften van directe klanten en indirecte partners. De belangrijkste verandering was de fusie van de drie channel-serving-activiteiten van de Groep (voorheen bekend als Daisy Wholesale, Daisy Distribution en Daisy Worldwide) onder een nieuw merk, Digital Wholesale Solutions. Het bedrijf Daisy Partner Services begon ook onafhankelijk te opereren van de rest van Daisy Group, handelend onder de naam Allvotec Limited.

In maart 2021 investeerde private equity-fonds Inflexion in de Digital Wholesale Solutions-business, die werd afgesplitst van en verliet de Daisy Group.


DAISY: DE VOLLEDIGE GESCHIEDENIS VAN EEN BEROEMDE EN ICONISCHE ADVERTENTIE - DEEL EEN

Elk verkiezingsseizoen waarin politici hun dure en (meestal) fantasieloze aanvalsadvertenties ontketenen, beroepen opinieschrijvers zich op de onofficiële titel van de meest beruchte 60 seconden in de reclamegeschiedenis: "The Daisy Ad" (officiële titel: "Peace, Little Girl," ook bekend als "Daisy Girl", "The Daisy Spot, "ook bekend als "Little Girl - Countdown"). Op de plek is een klein meisje te zien dat bloemblaadjes van een madeliefje in een veld plukt en in de verkeerde volgorde telt net voordat een volwassen voice-over een "militaire" aftelling invoegt, gevolgd door stockbeelden van een nucleaire explosie en de waarschuwende woorden van president Lyndon B Johnson: "Dit is de inzet - om een ​​wereld te maken waarin al Gods kinderen kunnen leven, of om in het donker te gaan. We moeten of van elkaar houden, of we moeten sterven." De advertentie - die nooit zijn doelwit identificeert - was bedoeld om de perceptie te versterken dat de Republikeinse presidentskandidaat uit 1964, senator Barry M. Goldwater, niet te vertrouwen was met zijn vinger op de knop. Zoals vaak is gezegd, werd de Daisy-advertentie slechts één keer als betaalde advertentie uitgezonden op NBC tijdens de netwerkfilm (DAVID AND BATHSHEBA) op maandag 7 september 1964. [ 5 ] Sinds die dag is Labor Day lang geleden de film van de kind en haar madeliefjes is miljoenen keren opnieuw gespeeld.

De plek was en is nog steeds een meesterwerk van manipulatie, waarbij de speelse onschuld van de kindertijd wordt afgewisseld met het protocol en de gruwel van oorlog. De eenvoud van de boodschap werd des te effectiever omdat de campagne van 1964 plaatsvond minder dan twee jaar na de Cubacrisis en binnen drie jaar na de Berlijnse crisis waarin president John F. Kennedy de natie opschudde met zijn opmerkingen over het belang van de civiele bescherming. [ 6 ] Met andere woorden, het 'einde van de wereld' was voor de meeste Amerikanen geen abstract begrip in deze periode van de Koude Oorlog. Het was een zeer reële mogelijkheid.

Fragmenten van het verhaal achter de evolutie van deze beruchte advertentie zijn in de loop van de decennia vele malen gepubliceerd. Maar pas nu is de volledige geschiedenis van de plek in al zijn vreemde glorie verteld. CONELRAD heeft het afgelopen jaar elk aspect van dit opmerkelijke moment in de populaire cultuur onderzocht. We hebben mensen geïnterviewd die betrokken zijn bij de ad&mdash, waaronder Daisy Girl zelf&mdash, die nooit of zelden in het openbaar over de plek hebben gesproken. Ook werden tal van overheidsdocumenten, privé-kranten, boeken, tijdschrift- en krantenartikelen doorgenomen om het volledige dossier te kunnen presenteren.

Het "Daisy"-verhaal is een verhaal over hoe een groep toegewijde mannen met verschillende achtergronden bij de overheid en de reclame samenkwamen om een ​​"product" te verkopen aan de president van de Verenigde Staten. Deze professionals slaagden op spectaculaire wijze in hun hoofddoel (ondanks dat Lyndon Johnson defecte merchandise bleek te zijn), maar creëerden tegelijkertijd een onuitwisbaar icoon van de Koude Oorlog. Dit is hoe het is gebeurd.

Voordat hij in 1963 in Dallas een heilige martelaar werd, was president Kennedy een politicus die van plan was herkozen te worden, een doel dat verre van gegarandeerd was. Kennedy's standpunt over burgerrechten had hem kwetsbaar gemaakt in het zuiden en zijn peilingen waren in het laatste jaar van zijn leven gedaald. Het belangrijkste doel van de vroege vlucht door Texas was om de staat voor '64 overeind te helpen. De gouverneur van New York, Nelson Rockefeller, de meest gevreesde potentiële Republikeinse tegenstander van de president, had zijn kandidatuur op 7 november 1963 aangekondigd (hij was de eerste grote kandidaat die dat deed). Een heel jaar voor de verkiezingen werd Goldwater door het Kennedy-kamp gezien als de meest wenselijke GOP-genomineerde om het op te nemen. De president hield persoonlijk van de eenvoudig gesproken Arizonan, maar geloofde dat zijn extreme politieke opvattingen hem bij de algemene verkiezingen zouden hinderen. Een week na de verklaring van Rockefeller hield Kennedy zijn eerste formele campagnestrategiesessie en het overeengekomen herverkiezingsthema dat uit deze bijeenkomst naar voren kwam, was 'vrede en welvaart'. [ 7 ]

Er is veel gesproken over de amoureuze neigingen van wijlen de president, maar hij slaagde er op de een of andere manier ook in om een ​​enorme hoeveelheid lectuur in zijn drukke schema in te passen. 'Kennedy neemt printerinkt mee als ontbijt' James Reston van de New York Times merkte eens op. [ 8 ] Van de jonge president was ook algemeen bekend dat hij een verbazingwekkende vaardigheid had om zich de details te herinneren van wat hij had gelezen. De reclamecampagnes voor Avis Rent-a-Car ("We try harder") en Volkswagen ("Think Small") maakten zo'n indruk op Kennedy dat hij zwager Stephen E. Smith vroeg het bedrijf te benaderen dat ze produceerde Doyle Dane Bernbach (DDB) om na te gaan of het bureau openstaat voor het vooruitzicht om aan zijn '64-campagne te werken. De reclameman van de president uit 1960, Jack Denove (die nog geld van dat werk verschuldigd was), werd ook gevraagd om met een mediavoorstel te komen voor het komende verkiezingsseizoen. [ 9 ] En toen kwam het lot in Dallas tussenbeide.

Niet lang na de moord op Kennedy begon Lyndon B. Johnson na te denken over zijn volgende campagne. De beroemde onzekere en temperamentvolle Texaan wenste een aardverschuiving in '64 om elke slepende twijfel weg te nemen dat hij een 'toevallige president' was. [10] Johnson nam lange tijd de bescherming van Bill Moyers in dienst, die adjunct-directeur van het Peace Corps was op het moment van Kennedy's dood, om toezicht te houden op verschillende aspecten van de campagne. De officiële titel van de ambitieuze jongeman in deze periode was speciale assistent van de president. Moyers tikte op zijn beurt Lloyd Wright, de plaatsvervangend Associate Director of Public Affairs bij het Peace Corps, aan om zich bij hem aan te sluiten bij de verkiezingsinspanningen. Wright's zelf-beschreven competitieve relatie met Moyers ging helemaal terug naar hun dagen als klasgenoten aan de Universiteit van Texas in Austin. Op een bepaald moment in het begin van hun professionele carrière werkten de twee mannen bij rivaliserende Austin-radiostations, Moyers bij het station dat eigendom was van de familie Johnson. [ 11 ]

In een interview met CONELRAD verklaarde Wright: "Er kwam een ​​tijd (in 1964) toen de campagne eindelijk begon dat Bill me vroeg om aan boord te komen en ik verliet het Peace Corps en ik geloof dat ik in de staf van het Democratic National Committee werd geplaatst. (DNC) en werd de coördinator voor het reclame- en mediawerk van de campagne." Wright voegde eraan toe dat hij de taak van Stephen Smith om een ​​reclamebureau te selecteren voor de komende campagne "erfde". Wright adviseerde uiteindelijk dat de campagne DDB verkoos boven de nummer twee Grant Advertising, een in Chicago gevestigd bedrijf. In een memo van 11 maart 1964, georganiseerd onder de kopjes Kosten, Competentie en Toewijding, gaf hij zijn beweegredenen om DDB te verkiezen boven Grant. Hoewel kosten een belangrijke overweging waren, was competentie de 'kritieke factor'. Wright's formele "pitch" was gericht aan zijn campagne-senioren, Bill Moyers, Dick Maguire, Jack Valenti en Wilson McCarthy:

. Ik heb met de meest gerespecteerde mannen in de branche over deze kwestie overlegd en zonder uitzondering zeggen ze dat DDB verreweg de beste is. En ze zijn ook unaniem in hun afwijzing van Grant. DDB wordt tegenwoordig erkend als een van de topbureaus in de branche. Ze hebben een bewezen staat van dienst. Grant is de afgelopen jaren met ups en downs geweest. Vandaag zijn ze naar beneden. DDB heeft een staf die beschikbaar is voor ongeveer elke service die we nodig hebben. Grant zou 'creatieve adviseurs' aan boord brengen om te helpen bij het ontwikkelen van materialen. (En de man die ze voorstellen, Bill, is Shelly Sosna, [ 12 ] een sympathieke kerel die met ons samenwerkte in het Peace Corps. Maar hij werd ingeblikt door DCSS (Doherty, Clifford, Steers & Shenfield) wegens ontoereikende productiviteit. [ 13 ]

  1. Grote campagneproblemen, behandeling
  2. Probleemgebieden, doelmarkten
  3. Algemeen campagnethema
  4. Advertentierooster
  5. Werkwijze (opruimen van materialen, etc.) [ 15 ]

In april had William Bernbach, medeoprichter van DDB, 40 copywriters, artdirectors, televisieproductiemedewerkers en ondersteunend personeel geselecteerd om een ​​toegewijd team te vormen dat exclusief aan de Johnson-campagne zou werken. Een voorwaarde voor de prestigieuze opdracht was dat de rekruten democraten waren. "Oh, ja, iedereen was een echte gelovige. Ja, het was als een kruistocht", bevestigde Sid Myers, de Art Director voor de Daisy Spot, in een interview met CONELRAD. In een Newsweek-verhaal van juni weigerde Bernbach de advertentiestrategie van de campagne bekend te maken. Hij liet het lachend toe: "Ik denk dat we een geweldig product hebben. Ik zou zelfs zeggen dat dit het gemakkelijkste account is dat we ooit hebben gekregen." [ 16 ]

Het kampement van de kruistocht was een wirwar van 20 hokjes die speciaal gehuurd waren voor de Johnson "rekening" op de 7e verdieping van 20 West 43rd Street in Manhattan. De hoofdkantoren van DDB bevonden zich op de 20e tot en met 29e verdieping van het gebouw. Op een bepaald moment tijdens de campagne werd een kalender opgehangen in een gang op de 7e verdieping met de dagen voorafgaand aan de verkiezingen doorgestreept met een rode vetmarkering. De inzending voor 4 november (de dag na de verkiezingen) werd vervangen door een fotokopie van een menigtescène met een persoon die een bord vasthield met de tekst 'Vrede'. [ 17 ] DDB richtte ook een onopvallend kantoor in Washington, D.C. op in het "subhoofdkwartier" van de DNC in 1907 K Street, dat onder toezicht stond van DDB-assistent-accountmanager George Abraham. [ 18 ]

James H. Graham was 41 jaar oud, had weinig werk en 'leende' een kantoor bij DDB toen hem de functie Account Executive werd aangeboden om de leiding te hebben over de verkiezingseenheid van '64. De kleurrijke Graham, een voormalige zanger van een militaire band, was in 1962 ontslagen bij de firma Benton & Bowles omdat hij de slogan "Trust Your Car to the Man Who Wears the Star" rechtstreeks naar de CEO van Texaco had gebracht. Een marketingmanager van Texaco had het op dezelfde dag doorgegeven toen Graham impulsief besloot zijn connectie met de secretaris van de CEO te gebruiken om een ​​ontmoeting met de chef te krijgen. De Texaco-chef omarmde de slogan enthousiast, maar de marketingmanager was woedend over het feit dat zijn gezag was omzeild en klaagde luidkeels bij Benton & Bowles. Graham werd ontslagen omdat hij zich niet aan het protocol hield en merkte al snel dat hij freelancer werd uit het reservehokje dat een vriend hem bij DDB had aangeboden. Texaco gebruikte natuurlijk de slogan die de vindingrijke Graham met succes had gepitcht en het bedrijf gebruikt het tot op de dag van vandaag in promotiemateriaal. [ 19 ]

Graham zou al snel nauw samenwerken met Sid Myers, copywriter Stanley R. Lee (de partner van Myers voor de duur) en producer Aaron Ehrlich. Deze mannen zouden samen met de 'King of Sound' Tony Schwartz en mdash verantwoordelijk zijn voor de beroemdste advertentie in de televisiegeschiedenis, de Daisy-spot. Graham vertelde Pete Hamill memorabel voor een artikel in de New York Times: "We verkopen de president van de Verenigde Staten." [ 20 ]

Tegen het einde van de slopende campagne zat de reclameman niet langer gehurkt in een geleend hokje. Hij had een officieel kantoor en scheidde zijn schone was van zijn vuile was in de laden van zijn bureau. [ 21 ] Een van de criteria van Lloyd Wright om voor DDB te kiezen was 'toewijding'. Dat en meer kreeg hij zeker met het bureau dat, net als Avis, "meer zijn best deed".

Je hoeft alleen maar de politieke televisiereclames van de jaren vijftig te vergelijken met die van de Johnson-campagne in 1964 om te beseffen hoe innovatief DDB was. De presidentiële campagnespots van het vorige tijdperk (inclusief Kennedy's in 1960) zijn absoluut prehistorisch, terwijl het advertentiewerk van DDB uit '64 er vandaag de dag nog verrassend modern uitziet. Het was Bernbach, de creatieve partner in het driemanschap van de medeoprichters van DDB, die reclame omvormde tot een ware kunstvorm. "Het was als het Bauhaus van de reclame", zei Myers in zijn CONELRAD-interview.

DDB werd in 1949 opgericht door Ned Doyle, Maxwell Dane en Bernbach. Doyle en Bernbach waren vice-presidenten geweest bij Gray Advertising en Dane was een tennispartner en voormalig medewerker van Doyle. De drie oprichters brachten elk aanzienlijke en verschillende vaardigheden mee voor hun nieuwe zakelijke onderneming, die het eerste jaar eindigde met slechts $ 500.000 aan facturen (tegen 1959 factureerde het bureau $ 27,5 miljoen per jaar). Dane behandelde administratieve en financiële zaken, Doyle, een advocaat van opleiding, behandelde de regen van de klant en Bernbach was de creatieve kracht die het gezicht van de moderne reclametechniek veranderde.

De in Brooklyn geboren Bernbach studeerde in 1933 af met een major in Engels aan de New York University en was, volgens velen, een zachtaardige intellectueel die zijn exemplaar graag een subtiel maar oneerbiedig gevoel voor humor doordreef. Voordat hij in de Tweede Wereldoorlog diende, werkte Bernbach als schrijver en onderzoeker voor de Wereldtentoonstelling van 1939-1940 en kreeg kort daarna een baan bij zijn eerste reclamebureau, William H. Weintraub, Inc.

Bernbach had ooit zijn professionele filosofie aan een interviewer als volgt uitgelegd: "Over creativiteit kan worden gesproken, zoals het weer of zonde. We zweten er hier echt van. We geloven dat goede smaak goed kan verkopen. De hele geschiedenis van kunst en literatuur is de inspanning van een volk om te proberen iets te zeggen of te creëren op een frisse, fantasierijke manier."

Bernbach, die sympathiseerde met de afkeer van het publiek voor de 'hard sell', mijdde marktonderzoek en omarmde instinct. "Artistiek is over het algemeen diep inzicht hebben in de menselijke natuur en dit vervolgens op een heel, heel frisse manier uitdrukken - een originele manier", werd hij geciteerd door de New York Times in 1982. Een van de manieren waarop hij deze benadering bevorderde bij DDB zou breken met het traditionele organisatiemodel van bureaus en een zogenaamde 'horizontale hiërarchie' instellen. "Bij de meeste bureaus werkten de copywriter en de art director nooit samen, legt Myers voor CONELRAD uit. "De copywriter zou niet samenwerken met de art director. Bij DDB was dat anders. DDB heeft de samenwerking geïnnoveerd." Bernbach isoleerde ook zijn "Creative Teams" van de externe druk van verkoopeisen, waardoor ze zich konden concentreren op hun meer puur inspirerende taken.

Een van Bernbachs andere talenten, die duidelijk het succes van DDB hielpen vergroten, lag in het onderwijs. Hij zou veel jonge copywriters zijn unieke vaardigheden leren en zijn onschatbare ervaring in de loop der jaren delen. 1964 bleek een jaar vol ervaring te zijn voor een bureau dat al goed op weg was om legendarisch te worden. Het werk van DDB voor president Johnson oversteeg een louter contract voor advertentiediensten en maakte de sprong in de geschiedenis. [ 22 ]

Op 24 oktober 1963 in Hartford, Connecticut, berichtte de Washington Post dat Goldwater in een persconferentie bepleitte dat NAVO-commandanten in Europa de vrijheid zouden hebben om tactische kernwapens te gebruiken voor noodgevallen. Het Post-artikel citeerde Goldwater als het karakteriseren van dergelijke tactische bewapening als 'slechts een ander wapen'. Goldwater verklaarde later dat hij doelde op de NAVO-commandant en niet op tientallen veldcommandanten. De schade was echter al aangericht en de twijfelachtige kwalificatie van de senator maakte geen verschil in de publieke perceptie. [ 24 ]

Op 24 mei 1964 verscheen Goldwater met interviewer Howard K. Smith in het public affairs-programma "Issues and Answers" van ABC. In antwoord op een vraag over de militaire strategie in Vietnam, verklaarde de senator: "Er zijn veel suggesties gedaan. Ik denk niet dat we er een zullen gebruiken. Maar ontbladering van de bossen door atoomwapens met een laag rendement zou kunnen worden gedaan. Als je het gebladerte verwijdert, verwijder je de hoes." Goldwater betwistte later de interpretatie van zijn opmerkingen, maar nogmaals, deze herstelmanoeuvre had weinig effect op het publiek. [ 25 ]

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, waren de strategen van Johnson niet de eerste mensen die Goldwater opzadelden met het jeukende beeld van de nucleaire triggervinger. Tijdens de make-or-break presidentiële voorverkiezingen in Californië, ontketende de gematigde tegenstander van de senator voor de nominatie, Nelson Rockefeller, een massale mailing van een pamflet getiteld "Who Do You Want in the Room with the H Bomb?" Het pamflet, geproduceerd door het reclamebureau van Rockefeller in Californië, Spencer-Roberts and Associates, was een verzameling van Goldwaters shoot-from-the-hip-commentaren. Het werd afgeleverd aan alle twee miljoen geregistreerde Republikeinen in de staat en leidde tot een hausse van controverse. De kostbare mailing werd echter effectief onschadelijk gemaakt door 'de natuur', zoals Stu Spencer het uitdrukte, toen Rockefellers tweede vrouw, 'Happy', vlak voor de verkiezingen een jongetje baarde: 'Het heropende de wonden van het vrouw-zijn... achtervolger, van overspel, alle verdomde vragen die we hadden opgelost door Goldwater ervan te beschuldigen een gek te zijn." [26] Goldwater won de voorverkiezingen van 3 juni en Rockefeller werd tijdens de GOP-conventie op gedenkwaardige wijze uitgejouwd in het Cow Palace in San Francisco. De partij had een scherpe bocht naar rechts gemaakt die niet snel vergeten zou worden.

Goldwaters mentale geschiktheid voor het presidentschap kwam in het openbaar in mei 1964 toen het tijdschrift Good Housekeeping een interview publiceerde met de vrouw van de kandidaat, Peggy, onder leiding van Alvin Toffler (binnenkort een beroemde bestsellerauteur en 'futurist'). Mevrouw Goldwater verklaarde dat er aan het eind van de jaren dertig twee gelegenheden waren waarbij, onder de stress van het runnen van het familiebedrijf (Goldwater's Department Stores), de "zenuwen van haar man volledig braken". Toffler omschreef Goldwaters eerste aflevering in 1937 als een 'zenuwinzinking' en twee jaar later 'knalde hij opnieuw'. [ 27 ]

It was Toffler's interview with Mrs. Goldwater that caused Johnson to remark to Texas Governor John Connally in a recorded White House telephone conversation: "I just shudder to think what would happen if Goldwater won it. He's a man that's had two nervous breakdowns. He's not a stable fellow at all." [ 28 ]

In July of 1964 Moyers learned from a friend in the psychiatric field that a magazine was conducting an unusual survey regarding Goldwater's mental state. Moyers was aware that a professional journal, Medical Tribune, had already published findings that psychiatrists endorsed Johnson over Goldwater by a ratio of 10-to-1. The publication Moyers' friend was referring to, however, was not quite as reputable. [ 29 ]

Publisher and free speech provocateur Ralph Ginzburg, who once described himself as a "curious footnote" to history (his Eros magazine obscenity case went all the way to the U.S. Supreme Court), picked up the Goldwater-is-nuts angle and exploited it like a William Castle horror movie. In the September-October 1964 issue of his political journal "Fact," Ginzburg published 41 pages of excerpts from one of the most unscientific studies ever performed. "Fact" surveyed 12,356 psychiatrists with a single question (which also included a space on the form for "comments"): "Is Barry Goldwater psychologically fit to be President of the United States." 2,417 psychiatric professionals actually responded with 1,189 of them answering in the negative to the question and 657 answering in the affirmative. 571 stated they "did not know enough about Goldwater to answer the question." None of the respondents had ever actually put the candidate on the couch. The issue, featuring the blaring headline "1,189 Psychiatrists Say Goldwater is Unfit to be President!" sold 160,000 copies (with a cover price of $1.25 each). [ 30 ]

Goldwater's political ascension in 1964 was viewed with no small amount of delight by Democrats because of the exploitable issues the senator brought to the race. Americans for Democratic Action (ADA) president John P. Roche wrote to Moyers in June of that year: "It begins to look as though the Republicans are really going on a Kamikaze mission in November." Roche went on to suggest a "savage assault" on Goldwater and even pitched a billboard concept: "Goldwater in 64 &mdashHotwater in 65? With a mushroom cloud in the background." [ 31 ]

In a July 22nd telephone conversation Johnson's press secretary George Reedy weighed in with his own bluntly phrased theory of attack against Goldwater:

I think there's a weakness to Goldwater. I think the big weakness is that people think he's pretty reckless. And I think the one thing that we ought to get out now is some of the things that he has said about the Nuclear Test Ban Treaty, but not say it in the way that it has been said. I think we gotta get this thing down to some gut things: Mothers that are worried about having radioactive poison in their kids' milk. Men that are worried about becoming sterile. Uh, give them some thoughts about maybe kids being born with two heads and things like that.

As the tape of the above conversation demonstrates, Johnson is silent through most of Reedy's discourse. However, in another telephone conversation one day later, the President himself is challenging Robert Kennedy's assertion that "When the country is at peace, as it is now, they're not concerned about Russians as much. There's not a crisis like the Berlin Wall or Cuba." Johnson counters using one of Reedy's more memorable terms for radioactive mutation: "I don't know. A mother is pretty worried if she thinks her child is drinking contaminated milk or that maybe she's going to have a baby with two heads. " Clearly Reedy's earlier points were well taken by his boss. [ 32 ]

You fellows are the experts, but this is how I see it. I'm the president. That's our greatest asset. And I don't want to piss it away by getting down in the mud with Barry. My daddy once told me about the time a fire broke out in a three-story building in Johnson City. Old Man Hutchinson was trapped on the third floor and the fire ladder was too short to reach him. So Jim Morsund, he was one of the volunteer fire chiefs, grabbed a piece of rope, tied a loop in it, threw it up to Mr. Hutchinson, and told him to tie it around his waist. Then he pulled him down.

Now Barry's already got a rope around him and he's knotted it pretty firm. All you have to do is give a little tug. And while he's fighting to keep standing, I'll just sit right here and run the country. [ 33 ]

In addition to the higher-minded strategy meetings referenced by Goodwin in his book and attended by himself, Bill Moyers, Clark Clifford Jack Valenti and others, there was also a secret White House campaign apparatus known informally as "the Department of Dirty Tricks," "the anti-campaign" or "the 5 o'clock Club." It was a sixteen-man team that was headed by Johnson aides Myer "Mike" Feldman and Fred Dutton. Feldman reported directly to Johnson on the team's activities. This group&mdashwhich met twice a day&mdashmonitored Goldwater's statements and positions and prepared various "books" that captured all of his ripe material. The 5 o'clock'ers also engaged in other more questionable activity such as feeding hostile questions to reporters covering Goldwater and otherwise trying to manipulate the mainstream media treatment of the senator. [ 34 ]

Lloyd Wright recalled for CONELRAD the formal advertising plan against Goldwater: "Our strategy was to open with what we called anti-Goldwater' to put him on the defensive and show him for what we thought were his weaknesses and then go into a pro-Johnson and then a get out the vote.' Those were the three stages. And those stages became quite changed in reach and tenure because of the impacts of the opening effort. We didn't need to continue&mdashwe felt&mdashas long a time on the anti-Goldwater phase and that was partially a result of the impact of the Daisy commercial."

To aid DDB, the fruits of the 5 o'clock Club's opposition research and all of the other ancillary ammunition collected against Goldwater was provided to the advertising team.

"We were given a big blue book of all of Goldwater's speeches from, I guess, from the time he started," Sid Myers told CONELRAD. "And we were given themes. The most important was nuclear responsibility because at the time he (Goldwater) was saying we should use tactical nuclear weapons in Vietnam. And the war on poverty and Social Security. Those were the big three campaign issues that we were working on."

With the thematic guidance from the White House, DDB began the process of coming up with ideas and then presenting them to Wright, Moyers and others. Internal documents from the agency obtained by CONELRAD reflect a highly organized approach: from strategy memos to concept and storyboard approval to television production approval through advertising time budgets. In some instances a commercial concept is reflected in certain memos as having been "killed." One example of this type of action is for a spot titled "Kremlin Men's Room" that probably would have been too comical for a presidential campaign so concerned with dealing with the end of the world. The ad was declared "killed" in an August 4th DDB memo. [ 35 ]

Myers described the campaign atmosphere as extremely busy: "We worked day and night. We were traveling back forth to Washington on the train, staying at the White House, having brainstorming sessions with Lloyd Wright and Bill Moyers." Two of the President's cabinet members were even drafted&mdashin highly unusual ways&mdashinto the effort. "One night I remember we were working late and two things happened," recalled Myers. "One is that the Secretary of Labor (Willard Wirtz) was there and he was the only one really who wasn't participating in what we were doing so we sent him out for Chinese food. And also, the Secretary of Health&mdashI don't know who that was at the time&mdashwas giving out&mdashmaybe I shouldn't say this&mdashwas giving out uppers so we could stay up and work through the night." [ 36 ]

Wright remembered the environment as being more staid: "Well, when I was with them (DDB), it wasn't hustle bustle. It was very determined and focused. Very dedicated and professional and committed to the success of the campaign."

For Myers, one of the major highlights of working on the campaign was meeting President Johnson. "He's a massive guy," Myers marveled all these years later. "I mean I'm a big guy, I'm six foot, but he towered over me. We were kind of like ushered in and he shook my hand and said 'You guys are doing a great job, blah, blah, blah' and that was the end of it&mdashhe was gone."

The DDB team also had the honor of being at the White House during a significant event in Cold War history. Myers revealed: "And we were there the day of the Gulf of Tonkin (Incident). We were there and we were going down for a meeting with Lloyd Wright or Bill Moyers and all of a sudden people are running around, back and forth and all of sudden cars started coming up the driveway of the White House and we were kind of like left alone. Everybody dropped us and kept running back and forth. Someone came to us and said, sorry you all have to leave. We have an emergency. ' and we left and we didn't know what it was at the time and that was the day that the Gulf of Tonkin (Incident) happened." [ 37 ]

In a news conference that followed the unity meeting President Eisenhower confirmed to the press that he had had reservations about Goldwater's candidacy, but was now "satisfied." The coverage of the event made a major impression on the Johnson campaign staff who became concerned that Goldwater might find success in reinventing himself. The following day, August 13th, Wright fired off a memo to Moyers urging him to provide a total budget figure in order to launch the Johnson ad campaign "earlier than conceived." Wright warned Moyers: "If we fail to do this, he (Goldwater) will have freedom to pursue the course launched yesterday at the Unity Conference&mdashappearing to moderate his stands and assume the offensive in the campaign." [ 39 ]

On August 17th Moyers received another urgent letter, this time from William Bernbach, who minced no words. The letter conveys the seriousness of the campaign so starkly, that it is presented here in its entirety (The observant reader will note that Bernbach invokes the campaign's "stakes are too high" slogan to underscore the gravity of his message.):

If a decision isn't taken immediately to activate the television advertising plans, there might be serious consequences to the campaign. This is no time for me to be tactful with you. There is too much at stake.

No one knows better than you why we took on the Presidential campaign. There is only one reason. We are ardent Democrats who are deadly afraid of Goldwater and feel that the world must be handed a Johnson landslide. To play our small part in the achievement of such a victory we risked the possible resentment of some of our giant Republican clients (I personally told one it was none of his business when he phoned me about our action) and we had to turn away companies who wanted to give us their accounts on a long term basis. Two of the other agencies you were considering withdrew out of fear of their clients. A third agency blithely withdrew and took the Goldwater account.

I tell you all this only to emphasize that we are dedicated people and that our recommendations have a single motivation, not how much money can Doyle Dane Bernbach make, but what is necessary to do the job well. For anyone in your organization who is not a communications expert to pass on our plan is a great mistake. The decision must be made on the same basis that Secretary McNamara said the Defense budget decision was made: "What arms do we need to be the strongest nations [sic] in the world. Then, and only then, see how we can achieve our goal." Our plans were made with expert knowledge of what it takes to saturate the nation with the Democratic message. Ignorance in these matters can lead to waste and even disaster.

It is dangerous to think that because Lyndon Johnson is the President of the United States, he will get enough exposure through news coverage to assure him election in November. I don't have to remind you that an exposure on TV or radio or a quote in the nation's press is not necessarily a call to action.

The recommendation, at the volume originally agreed upon, was set as a maximum effort an ideal campaign. The thought being to permit you to trim where necessary in the interest of political or financial necessity.

I understand you now feel we should suspend all ordering and production on everything we have recommended except the network time already purchased.

We consider the local spot TV and spot radio as absolutely essential to the goal of commanding the necessary share of mind required to get the vote we need for President Johnson in November.

I refer you to the attached media flow chart. Everything not currently on non cancellable order with the networks is crossed out in red. It is immediately apparent that the remaining schedule is grossly inadequate for the eight week period of the campaign. The stakes are just too high to neglect taking maximum advantage of a medium that reaches 92.5% of all homes in the United States. There is no denying the influence television had on the last election and in 1964 there are 8,550,000 more television sets in use in this country than there were in 1960.

I urgently request that you reconsider and permit us to proceed on the original recommendation at once. If it is necessary to make some adjustment because of financial necessity we will work with you on making a realistic adjustment. The need for immediate action can't be expressed too strongly. Assuming agreement on a spot TV and spot radio schedule next week, and assuming the necessary money being released for use at the same time, the earliest nationwide air date we can make would be the third week of September. This is inflexible. The simple logistics of purchasing, production and shipping preclude any miracles in shortening the time needed.

We agreed that a very necessary part of the campaign is that part devoted to exposing to the voting public the absurd, contradictory and dangerous nature of the opposition candidate. It was agreed that this part of the campaign should be undertaken immediately following our Convention. It is already apparent that Barry Goldwater is making every effort to adjust his extreme position to one more acceptable. Knowing the short memory of the average person, it is entirely possible he might succeed in creating a new character for himself if we are unable to remind people of the truth about this man.

If a decision is delayed until after the Convention, it is obvious that the action resulting from that decision might be "too little and too late."

I urge your immediate attention to this important matter.

It was the end of the month before Moyers could write to DNC treasurer Dick Maguire and inform him that "the President asked us to proceed with an advertising campaign that would include not only the planned network effort of almost $2 million, but also an additional expenditure of $2 million for local TV throughout the country. " Moyers also conveyed that Johnson was willing to volunteer himself and his running mate Sen. Hubert H. Humphrey to participate in additional fund raising dinners if necessary: "Five for him (Johnson), ten for Humphrey." [ 41 ]


The African Daisy also known as the Cape Marigold, the Star-of-the-Veldt and Osteospermum is a hardy annual that is native to the dry, stony soils of South Africa. The plants were discovered in the 19th century and brought to Europe and the United States where they quickly gained some popularity. The flowers of the original strains would remain open only during periods of full sun. When the sky clouded over or after the sun set, the flowers would close. For many this made the plant undesirable, but the vividly colored flowers were so attractive that breeding programs in Great Britain and the United States began to produce cultivars with blooms that remained open much longer. As with nearly all daisy-like flowers, the African Daisy is a member of the Aster family.

African Daisies are easy to grow, but the plants must have full sun. They can be started indoors, 6-8 weeks before the last frost, or direct seeded outside once the danger of frost is gone. Seeds should be covered with about 1/4 inch of soil and will germinate in less than 2 weeks. Plants will grow to a height of approximately 12-24 inches. Mature plants should be spaced about 6 inches apart. The plants bloom from midsummer to autumn, but are very susceptible to frost. The first mild frost will kill the plant. Many of the cultivars will self seed.


Inhoud

The company started in 1882 by watchmaker and inventor Clarence Hamilton in Plymouth, Michigan, as the Plymouth Iron Windmill Company, to manufacturer a type of vaneless windmills that Hamilton invented in 1880. By the mid-1880s the business was struggling, as transporting the heavy steel windmills by wagons throughout the southern part of Michigan, northern Indiana, and throughout Ohio was impractical. In January 1888 the company board met to consider closing the factory, but the motion to liquidate failed by one vote — that of general manager Lewis Cass Hough.

Around the corner from the windmill company, Hamilton also operated the Plymouth Air Rifle Company, to compete with the Markham "Challenger" — a new type of wooden spring-powered airgun shooting BB-size round shot invented by Captain William F. Markham (though some argued that the real inventor was George W. Sage) in 1886 — manufactured by the Markham Air Rifle Company just across the Chesapeake and Ohio Railway. On March 6, 1888, Hamilton approached the windmill company board with an all-metal airgun design of his own and sought to use the factory blast furnaces to mold and stamp the metal parts necessary to build his gun. General manager Lewis Hough test fired the gun and exclaimed, "Boy, it's a daisy!", [1] and the new gun was named the "Daisy BB Gun". The board of the Windmill Company then decided to offer the gun as a bundled premium item to every farmer who purchased a windmill.

This began many years of intense competition between Plymouth and Markham, who responded by introducing their metal "Chicago" (1888) and "King" (1890) model BB guns. However, Plymouth's marketing strategy was much better, as by 1900, 15% of their sales was being spent on posters and magazines space, with the net result of such intensive promotion being to make Daisy virtually a household word, while Markham paid little effort on advertising. The Daisy BB Guns continued to outsell its competitors, and by 1895 its sales and popularity had grown to the point that the Plymouth Company ceased the manufacture of windmills, began producing airguns exclusively, and the board voted to change the company name to Daisy Manufacturing Company.

In 1901, Daisy introduced a 500-shot lever-action rifle (predating Markham's by nine years), and special guns were even built to shoot streams of water at Masonic initiations. Perhaps the most famous model was the Little Daisy, Model 20, which was made continuously with only three model changes between 1908 and 1937 and at times sold for less than fifty cents. Daisy's continued market lead eventually led the Markham management to give up competing and quietly sold out to two Daisy executives in 1916, and Captain Markham himself moved to California. The acquired Markham Company changed its name to King Air Rifle Company in 1928, and continued to manufacture the Markham "King" Model air rifle until 1935, before ceasing operation all together in the 1940s.

In 1958, the company moved the corporate offices and manufacturing facilities from Plymouth to Rogers, Arkansas.

In 1993, Daisy was acquired by the private equity firm Charter Oak Partners. [2] The Plymouth factory was demolished in 2005 and replaced with a condominium complex called Daisy Square. One wall of the factory building remained in front of the complex until its demolition on November 18, 2013. The wall had been free-standing [3] since the factory was torn down, and was supposed to be built into an apartment building, but the wall was not included in the completed building. The Daisy Administration building, on Main Street, is still standing and has become an office complex and restaurant. In 2016, Daisy was sold by Charter Oak to another private equity firm, Bruckmann, Rosser, Sherrill & Co., who combined it with Gamo Outdoor. [4]

Daisy is best known for their inexpensive youth BB guns, modeled after lever-action rifles. Perhaps the most famous of these is the Red Ryder model, which is still in production today, despite the fact that the Red Ryder comic strip was canceled in 1963. These simple smoothbore, spring-air BB guns fire at low velocities, and are marketed to children ages 10 and over. In addition to the spring air BB guns, Daisy also markets a line of multi-pump pneumatic rifles capable of firing pellets or BBs to the same age group.

Production of the Daisy Model 25 was restarted in 2009. Featuring a spring feed mechanism and modeled after a pump-action shotgun with pumped cocking, the Model 25 dominated the low-price, higher-performance airgun market for over 50 years (1914–1978).

The Powerline models are Daisy's more powerful, more accurate line of airguns, marketed to ages 16 and up. The Powerline rifles include multi-pump pneumatics and spring-piston break barrels, have rifled barrels designed for shooting pellets, and are capable of greater velocities than Daisy's Youth Rifles. Powerline pistols are multishot double-action designs, powered by CO2 powerlets or spring pistons. BB models are smoothbore, while pellet models have rifled barrels. These are styled to resemble firearms, and are often used by adults in place of firearms for inexpensive training and practice, or in jurisdictions where firearms are heavily restricted or prohibited.

The Avanti line consists of Daisy's target guns. Some of the Avanti line are pellet guns, either single-stroke pneumatic or CO2-powered, with high-quality sights and built to much higher standards. Some models use barrels from Lothar Walther, a top European barrel maker. Even the least expensive Avanti model, the 717 pistol, has been used by world championship 10 m Air Pistol shooter Don Nygord to shoot a medal-winning round in a California state championship. The Canadian Forces adopted the Daisy/ Avanti model 853C target rifle for their cadet program's marksmanship training program, as well as competitive 10m target shooting.

Daisy also makes, as part of the Avanti line, the Model 499B Champion, billed as the "world's most accurate BB gun". This is a true competition BB gun, with a micrometer adjustable rear peep sight, a sling, and a precision smoothbore barrel. It is to be used with Daisy's precision-ground steel BBs that are made for the 499. The 499 is unusual in that it is a single-shot, muzzleloading spring airgun. The 499 is most commonly used in 5-meter (16 ft) BB gun competitions by youth groups such as 4H and Boy Scouts.

During the Vietnam War Daisy BB guns were used in Quick Kill training for soldiers in basic training.

Winchester licensed products Edit

Daisy also sells a line of spring-air rifles marketed under the Winchester brand name. These are moderately priced break-barrel and semi-automatic CO2-based designs with wood or composite stocks, with velocities ranging from 500 ft/s (150 m/s) to 1,000 ft/s (300 m/s). For a time, Daisy also imported and marketed an Umarex made, Winchester branded copy of the Winchester 1894 rifle. This is a multi-shot CO2 pellet rifle using the standard Umarex revolver action. This model is now marketed under the Walther name.

Red Ryder BB Gun Edit

De Red Ryder BB Gun is a BB gun made by Daisy Outdoor Products and introduced in the spring of 1940 that resembles the Winchester rifle of Western movies. [6] Named for the comic strip cowboy character Red Ryder (created in 1938, and who appeared in numerous films between 1940 and 1950, and on television in 1956), the BB gun is still in production, though the comic strip was cancelled in 1963.

Design and specifications Edit

The Red Ryder BB Gun is a lever-action, spring piston air gun with a smooth bore barrel. Current production (ca. 2017) has a rear iron sight adjustable for elevation only and a post front sight. It uses a gravity feed magazine with a 650 BB capacity. It has an engraved wooden stock and a saddle ring with leather thong on the receiver.

A youth model airgun, the Model 1938B Red Ryder produces an actual muzzle velocity of about 270 feet per second (82 m/s) [ citaat nodig ] , although the specification on the Daisy states the Model 1938B Red Ryder has a "Max. Muzzle Velocity" of 350 feet per second (110 m/s) with a nominal .177 caliber, 5.1 grain steel BB.

The effective range is fairly short, about 10 yards (9 m), after which the low velocity and inaccuracy of the smoothbore barrel makes hitting the target difficult. BB guns are shot competitively at distances of 5-meter (16 ft), but the Red Ryder's open sight, which is also hampered by having no windage adjustment, makes it impractical for competition so it is primarily a plinking airgun.

Populaire cultuur Bewerken

  • The Red Ryder BB gun was prominently featured in the 1983 film Een kerstverhaal, in which Ralphie Parker requests one for Christmas, but is repeatedly rebuffed with the warning "You'll shoot your eye out." The movie's fictional BB gun, described as the "Red Ryder carbine-action, two hundred shot Range Model air rifle with a compass in the stock and this thing which tells time," does not correspond to any model in existence nor even a prototype the Red Ryder featured in the movie was specially made to match author Jean Shepherd's story (which may be artistic license, but was the configuration Shepherd claimed to remember). [7] However, the "Buck Jones" Daisy air rifle, immediately above the Red Ryder in the Daisy line, did have a compass and sundial in the stock, [8] but no other features of the "Red Ryder" model.
  • Crazy Earl, a character in the 1979 book The Short-Timers and the 1987 film, Full Metal Jacket, based on the book, carries a Daisy Red Ryder BB gun in addition to his M16 rifle. [9]
  • Hogarth Hughes owns and uses a Red Ryder BB Gun in Brad Bird's 1999 film The Iron Giant.
  • In the 2011 movie Tactical Force about a SWAT team using non conventional methods, SWAT Sgt. Hunt (played by the actor Michael Jai White) uses a Red Ryder BB gun which he named 'Daisy' to shoot a kidnapper/robber in the forehead.
  • In a post game interview in a Week 10 game against the Cincinnati Bengals in the 2015 season, J. J. Watt in a quote referring to quarterback Andy Dalton: "Our goal was to come out here and make the Red Rifle look like a Red Ryder BB Gun, and I think we did that." The reference was used as a play on Dalton's "Red Rifle" nickname. Dalton's response made the quote go viral. [10][11]

V/L caseless rifles Edit

Daisy was the first company to introduce a production caseless ammunition and rifle, the V/L Rifle, in 1968. The V/L ammunition consisted of a .22 caliber bullet with a small disk of propellant on the back, and no primer. The rifle resembled a typical spring-air rifle, but the hot, high pressure air served not only as a power source but also to ignite the propellant on the back of the V/L cartridge. The V/L guns and ammunition were discontinued in 1969 after the BATF ruled that they constituted a firearm, and Daisy, which was not licensed to manufacture firearms at that time, decided to discontinue manufacture rather than become a firearms manufacturer. About 23,000 of the rifles were made before production ceased.

Rimfire rifles Edit

In 1988 Daisy briefly made a line of rimfire rifles, the Legacy rifle. These were bolt action or semi-automatic rifles chambered in .22 Long Rifle, and were available in a number of different models. Options were wooden stock or plastic stock with adjustable buttplate, and single-shot, 7-shot box magazine (for semi-automatic models only), or 10-shot rotary-feed (the magazine was similar to, but not interchangeable with, the Ruger 10/22). While these are very rare, the inexpensive construction and the fact that they are firearms, not airguns, has led to little collectors' interest.

Daisy was the defendant in a lawsuit after a Pennsylvania teenager, John Tucker Mahoney, was accidentally shot in the head in May 1999 when a friend fired one of their BB guns at him, believing it to be empty. This left him severely brain damaged. The lawsuit alleged that the company hid manufacturing defects, specifically the BB guns jamming, and demanded that the gun in question be recalled. The company settled the lawsuit with Mahoney's family for $18 million in a case that received worldwide publicity. [12] [13] Mahoney died of his injuries in October 2003. [14]


Madeliefje

Onze redacteuren zullen beoordelen wat je hebt ingediend en bepalen of het artikel moet worden herzien.

Madeliefje, any of several species of flowering plants belonging to the aster family (Asteraceae). De naam daisy commonly denotes the oxeye daisy (Leucanthemum vulgare), the Shasta daisy (L. ×superbum), and the English, or true, daisy (Bellis perennis). These and other plants called daisies are distinguished by a composite flower head composed of 15 to 30 white ray flowers surrounding a centre consisting of bright yellow disk flowers, though other colour combinations are common.

The oxeye daisy is native to Europe and Asia but has become a common wild plant in the United States and elsewhere. This perennial grows to a height of about 60 cm (2 feet) and has oblong incised leaves and long petioles (leafstalks). Its solitary flower heads are about 2.5 to 5 cm (1 to 2 inches) in diameter, and the ray flowers are white in colour. The cultivated Shasta daisy resembles the oxeye daisy but has larger flower heads that may reach a diameter of 10 cm (4 inches).

Members of the genus Bellis are perennials that have solitary flower heads borne on long stalks the disk flowers are yellow, the ray flowers white or purple. The English daisy (B. perennis) is often used as a bedding plant. It has numerous spoon-shaped, slightly hairy leaves near its base that form a rosette. The plant has leafless flower stalks and hairy bracts (leaflike structures) below the flower heads. Some varieties of the English daisy have double flowers others may have pink or red ray flowers surrounding the bright yellow disk. Like the oxeye, the English daisy is native to Europe but has become a common wild plant in much of North America.

Other daisies include the Gerbera daisy (Gerbera jamesonii) of the floral industry, marguerite daisy (Argyranthemum frutescens), painted lady daisy (Tanacetum coccineum), and pyrethrum daisy (Chrysanthemum cinerariifolium) and various members of the genera Chrysant en Erigeron.


Daisy Bates

Onze redacteuren zullen beoordelen wat je hebt ingediend en bepalen of het artikel moet worden herzien.

Daisy Bates, volledig Daisy Gatson Bates, née Daisy Lee Gatson, (born 1914?, Huttig, Arkansas, U.S.—died November 4, 1999, Little Rock, Arkansas), American journalist and civil rights activist who withstood economic, legal, and physical intimidation to champion racial equality, most notably in the integration of public schools in Little Rock, Arkansas.

Daisy Gaston was adopted as a baby after her mother’s murder and her father’s subsequent flight for his own safety before prosecution of the three white men suspected of the murder could begin. She attended Huttig’s segregated public schools, where she experienced firsthand the poor conditions under which Black students were educated. In 1941 she married L.C. Bates, an insurance salesman and former journalist, and together they moved to Little Rock.

In 1942 she joined her husband on the weekly newspaper he had launched the previous year, the Arkansas State Press. The newspaper focused on the need for social and economic improvements for the Black residents of the state and became known for its fearless reporting of acts of police brutality against Black soldiers from a nearby army camp. The Bateses’ insistence on publicizing such information led many white business owners to cease placing advertisements in their paper. Despite the loss of revenue, the couple continued to produce their publication.

As a public and highly vocal supporter of many of the programs of the National Association for the Advancement of Colored People (NAACP), Bates was selected in 1952 to serve as the president of the state conference of the organization’s Arkansas branch. After the U.S. Supreme Court deemed segregation unconstitutional in 1954, she led the NAACP’s protest against the Little Rock school board’s plan for slow integration of the public schools and pressed instead for immediate integration. She personally began taking Black children to the white public schools, accompanied by newspaper photographers who recorded each instance when the children were refused admission. This intense pressure induced the school board to announce its plan to commence desegregation at Central High School in September 1957. Bates and nine of the Black students who were chosen to enroll at the high school withstood attempts at intimidation by the white opposition in Little Rock, which included rallies, legal action, threats, and acts of violence. Several attempts at integration failed, and the Black students were not allowed to enter the school despite a court order. Finally, on September 25, the day after President Dwight D. Eisenhower ordered all Arkansas National Guard units and 1,000 paratroopers to enforce integration of the school, Bates and the students were escorted safely into the school. She continued to be an advocate for the students throughout their time at the school.

The Bateses were forced to close the Arkansas State Press in 1959. Daisy Bates published her autobiography, The Long Shadow of Little Rock, in 1962. In the next few years she worked for the Democratic National Committee’s voter education drive and for President Lyndon B. Johnson’s antipoverty programs in Washington, D.C. After suffering a stroke in 1965, she returned to her home state and in 1968 began working for a community revitalization project in Mitchellville, Arkansas. She resurrected the Arkansas State Press in 1984 but sold it several years later. Bates maintained her involvement in numerous community organizations and received numerous honours for her contribution to the integration of Little Rock’s schools.

Dit artikel is voor het laatst herzien en bijgewerkt door Adam Augustyn, Managing Editor, Reference Content.


Bekijk de video: GESCHIEDENIS VWO + islam (Mei 2022).