Het verhaal

Welke opleiding moest gevolgd worden om rechten te studeren in het 17e-eeuwse Europa?

Welke opleiding moest gevolgd worden om rechten te studeren in het 17e-eeuwse Europa?


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

Hoe was het pad in termen van onderwijs dat een klein kind in jaren moest volgen, zodat hij een ADVOCAAT kan worden in de 17e eeuw in Europa? (Voornamelijk in het Heilige Roomse Rijk).

Bedankt!


Leren is door de eeuwen heen niet echt veranderd. Wat is veranderd, zijn de woorden die we gebruiken om te beschrijven wat we aan het leren zijn. Typisch, zoals Steve Bird opmerkte, zou een persoon enige rijkdom moeten hebben om formeel te worden onderwezen. Als je familie rijk genoeg was, had je een privéleraar die je les kwam geven die meestal hoogopgeleid was in filosofie, geloof of wiskunde (afhankelijk van het tijdperk). Naarmate het kind opgroeide tot de "universitaire leeftijd", zouden ze naar de universiteit zijn gegaan die we tegenwoordig noemen. In het Heilige Roomse Rijk was dit waarschijnlijk de Universiteit van Bologna. Opgericht in 1088, zou deze school de studenten hoger onderwijs hebben gegeven in wetenschap, wiskunde, filosofie en rechten. Wat u echter in gedachten moet houden, is dat ons idee van rechtvaardigheid en de rechtsstaat niet hetzelfde is als in de 17e eeuw. Typisch de kerk definieerde en regeerde over zaken van "wet" die gebaseerd waren op geloof, dus door het geloof te leren dat door de scholen werd onderwezen, leerde je ook de wet waaraan je gebonden was.

Bronnen:

Lokale geschiedenis

Geschiedenis van de Universiteit van Bologna

Europees onderwijs


Bill of Rights

Onze redacteuren zullen beoordelen wat je hebt ingediend en bepalen of het artikel moet worden herzien.

Bill of Rights, formeel Een wet waarin de rechten en vrijheden van het onderwerp worden verklaard en de erfopvolging van de kroon wordt geregeld (1689), een van de basisinstrumenten van de Britse grondwet, het resultaat van de lange 17e-eeuwse strijd tussen de Stuart-koningen en het Engelse volk en het parlement. Het bevatte de bepalingen van de Verklaring van Rechten, waarvan de aanvaarding de voorwaarde was geweest waarop de troon, die door Jacobus II was verlaten, werd aangeboden aan de prins en prinses van Oranje, daarna aan Willem III en Maria II. Met de Toleration Act (1689), die religieuze tolerantie toekent aan alle protestanten, de Driejaarlijkse Act (1694), waarin wordt bevolen dat er om de drie jaar algemene verkiezingen moeten worden gehouden, en de Act of Settlement (1701), die voorziet in de Hannoveraanse opvolging, de wet van Rechten vormden het fundament waarop de regering rustte na de Glorious Revolution (1688-1689). Het beweerde geen nieuwe principes te introduceren, maar alleen om de bestaande wet expliciet te verklaren. De revolutieregeling maakte de monarchie echter duidelijk afhankelijk van de wil van het parlement en zorgde voor een vrijheid van willekeurige regering waar de meeste Engelsen in de 18e eeuw bijzonder trots op waren.

Het belangrijkste doel van de wet was om ondubbelzinnig verschillende praktijken van Jacobus II onwettig te verklaren. Tot dergelijke verboden praktijken behoorden het koninklijk voorrecht om in bepaalde gevallen van de wet af te zien, de volledige opschorting van wetten zonder toestemming van het parlement, en het heffen van belastingen en het in stand houden van een permanent leger in vredestijd zonder specifieke parlementaire toestemming. Een aantal clausules was bedoeld om koninklijke inmenging in parlementaire aangelegenheden te elimineren, waarbij werd benadrukt dat verkiezingen vrij moesten zijn en dat leden volledige vrijheid van meningsuiting moesten hebben. Ook bepaalde vormen van inmenging in de rechtsgang werden verboden. De wet handelde ook over de naaste troonopvolging, waarbij deze werd afgerekend op de erfgenamen van Mary, vervolgens op die van haar zus, daarna op koningin Anne en vervolgens op die van William, op voorwaarde dat ze protestanten waren.

De redactie van Encyclopaedia Britannica Dit artikel is voor het laatst herzien en bijgewerkt door Amy Tikkanen, Corrections Manager.


Abstract

Hoe effectieve instituties tot stand komen en hoe ze veranderen, zijn fundamentele vragen voor economie en sociale wetenschappen in het algemeen. We laten zien dat deze vragen centraal stonden in de beraadslagingen van advocaten in het 17e-eeuwse Engeland, een kritiek historisch kruispunt dat belangrijke institutionele theorieën heeft gemotiveerd. We stellen dat de juristen een conceptualisering van institutionele ontwikkeling hadden die een voorbode was van veel elementen van het darwinisme, meer dan twee eeuwen vóór Darwins grote bijdragen. Daartoe identificeren we eerst een reeks kenmerken die kenmerkend zijn voor darwinistische evolutionaire sociaalwetenschappelijke theorieën. Vervolgens koppelen we de eigen woorden van de advocaten aan deze kenmerken, waardoor de vele overeenkomsten tussen een darwinistische benadering en het evolutionaire model van de advocaten van institutionele constructie en verandering worden onthuld. Ten slotte analyseren we de normatieve conclusies over institutionele ontwikkeling die de juristen trokken uit hun evolutionaire analyse.


STUDIE EENHEID 3 – Het verhaal van onze wet

SLEUTEL VRAAG:

  1. De samenstelling van het Zuid-Afrikaanse recht uitleggen tegen zijn historische achtergrond? De geschiedenis van ons rechtssysteem gaat terug tot de Romeinen. Het kan worden onderverdeeld in 3 fasen.

-Fase 1: De manier waarop het Romeinse recht deel uitmaakte van het recht van Europa & hoe het Romeinse recht onderdeel werd van Nederland. Deze wet werd in Nederland bekend als Romeins-Nederlands recht. -Fase 2: Verplaatsing Romeins-Nederlands recht van Nederland naar de Kaap. -Fase 3: De manier waarop het Romeins-Nederlandse recht zich ontwikkelde na naar Kaap gebracht.

(1) Romeins recht wordt Romeins-Nederlands recht ● 753BC – 476AD (Geschiedenis van Romeins recht begon & eindigde) → Latijn: taal van het Romeinse Rijk → tegenwoordig onderdeel van ons rechtssysteem → Het Romeinse Rijk gaf ons zijn rechtssysteem ● 2e helft 1e Eeuw voor Christus & 1e 2e eeuw na Christus – Romeins rijk op zijn hoogtepunt → Romeinse beschaving / cultuur op hoogtepunt van ontwikkeling & Romeins recht bereikte hoogtepunt → Inspanningen van Romeinse jurist → resultaat van hoogtepunt → Romeins recht toegepast → Klassiek Romeins recht ● Eind 4e eeuw na Christus – Splitsing van het Romeinse rijk → West-Romeinse rijk (Rome: hoofdstad) en Oost-Romeinse rijk (Byzantium: hoofdstad) ● West-Romeinse rijk → verval van het Romeinse recht → maar blijft in leven → hielp de ontvangst van het Romeinse recht in Europa → Germaanse stammen vielen WREmpire → Overleven van het Romeinse recht → lieten de Romeinen toe om door het Romeinse recht te worden beheerst. (niet zuiver Romeins recht → het heeft een Germaanse invloed) ● Rol van de Rooms-Katholieke Kerk → Romeins recht → basis van het kerkelijk recht → invloed op het moderne recht → overeenkomst = contract ● 6e eeuw Oost-Romeinse Rijk → Romeins recht overleefde succesvol → Keizer Justinianus codificeer de wet → Corpus Iuris Civilis → hield het Romeinse recht levend → opgeschreven en mogelijk gemaakt om in Europa te worden ontvangen 12e eeuw na Christus. → Corpus Iuris Civilis → verzameling eerdere geschriften van klassieke juristen en alle wetten die zijn aangenomen tijdens de periode van keizers. ● 12e-eeuwse hernieuwde belangstelling – Romeins recht studeerde aan middeleeuwse scholen → studeerde Corpus Iuris Civilis → recht verspreid over heel Europa → Romeins recht ontvangen in Europa → had bestaand rechtssysteem → onsystematisch en onwetenschappelijk → juristen gebruikten het Romeinse recht om aan de behoeften van de praktijk te voldoen. ● Ontvangst van Romeins recht in heel Europa → Romeins recht zoals uitgelegd door middeleeuwse juristen→ toegetreden tot bestaand recht → ontvangen in Europa ● Romeins-Nederlands recht → Romeins recht ontvangen in Nederland→ totstandkoming van Romeins-Nederlands recht → in Nederland schreven juristen commentaren op Nederlands recht (studienota's / praktijkgidsen). Romeins-Nederlandse Juristen (oude autoriteiten) → H.De Groot / J.Voet : nog geraadpleegde geschriften

(2) Romeins-Nederlands recht komt naar de Kaap ● Nederlandse vestigingen aan de Kaap → J. v Riebeeck (werknemer- VOC) → kwam naar kaap in 1652 → VOC te Kaap → zaken geregeld → in termen van de Artyckelbrief → Artyckelbrief: document→ opgestelde regels & reglementen van VOC-medewerkers → Toen Kaap vestiging werd→ levens van mensen die daar wonen beheerst door wetgeving / placaeten → Placaeten→ zoals posters→geplakt op de muren van openbare plaatsen ● Romeins-Nederlands recht wordt regerend recht aan de Kaap → Toen er geschillen waren → KB recht (zoals besproken door oude autoriteiten) raadpleegden we → Romeins-Nederlands recht toegepast door rechtbanken → werd onderdeel van onze rechtstraditie → Geschriften van H. de Groot & J. Voet → nog tegenwoordig gebruikt in onze rechtbanken a → Ons Romeins-Nederlandse rechtssysteem maakt het gemakkelijk voor SA-advocaten om te communiceren en te communiceren met internationale advocaten → Romeins recht → basis van bijna alle wetten van landen in West- en Oost-Europa / Zuid-Amerika / Japan.

(3) Engels recht en Afrikaans gewoonterecht ● Britse bezettingen van de Kaap: invloed van Engels recht → Britten bezetten Kaap eerst in 1795 en later in 1806 → Britse regering wil niet opzettelijk de wet wijzigen → invloed van Engels recht was nog voelde → vooral nadat de kolonisten van 1820 in Zuid-Afrika arriveerden → Invloed was voelbaar in zowel de rechtsbedeling als in de rechtsregels. → Voorbeeld → Rechtbankstructuur vervangen door Engelse rechtbankstructuur → Engels werd de officiële taal op Kaap. → Ook besloten dat rechters en advocaten een opleiding moesten volgen in Engeland. → Deze rechters en advocaten wendden zich bij het oplossen van een juridisch probleem vaak tot het Engelse recht in plaats van tot de Romeins-Nederlandse autoriteiten.

→ Engels recht werd meer formeel ontvangen door middel van wetgeving: → Voorbeeld → Engels procesrecht & bewijsmateriaal / jurysysteem / vennootschapsrecht → Engels recht ontvangen in Natal en na annexatie van Transvaal & Vrijstaatrepublieken door Groot-Brittannië (1838-1910) verspreid over de rest van SA .

● Inheems Afrikaans recht / Afrikaans gewoonterecht / inheems recht → Ongeschreven wetten → in de 2e helft van de 19e eeuw → deze wetten werden officieel erkend door de koloniale autoriteiten → Vandaag → nog grotendeels ongeschreven → in KwaZulu-Natal is veel van de inheemse wetgeving nu vervat in een code, die formeel wordt erkend. → In het verleden → inheemse wet → erkend als een speciale wet → alleen van toepassing op zwarten → Dit is veranderd → In de grondwet van 1996 → moeten rechtbanken de inheemse wet toepassen waar van toepassing → Inheemse wet → gemeenschapsgericht → regelt individuele relaties tussen leden van het gezin → een dynamisch systeem dat kan veranderen ● In 1996→ werd de eerste democratische grondwet van de republiek Zuid-Afrika aangenomen.

  1. Noem de belangrijkste kenmerken van de verschillende juridische families & geef in elk geval een rechtssysteem dat tot die familie behoort? (meeste NB 1-3) & (overige 4-6)

(1) Romeins-Germaans / civielrechtelijk gezin → Al deze systemen hebben een sterke Romeins Rechtsbasis → Romeins recht speelde NB rol in ontwikkeling Vb.: Frans / Duits / Nederlands → rechtssystemen

(2) Anglo-Amerikaanse / Common law familie → Jurisprudentie speelde NB rol in de ontwikkeling van deze rechtsstelsels → Rechterlijke beslissingen → NB nog steeds onderdeel van hun aanvraag Bijv.: Engeland / Amerika / Australië / Nieuw-Zeeland

(3) Socialistische familie → ontwikkeling beïnvloed door historische en politieke elementen → de wet is er → ten dienste van sociaal en economisch beleid in deze rechtsstelsels → Doctrine van het marxisme → gemeenschappelijk voor al deze rechtsstelsels Bijv.: voormalige USSR / communistisch China

(4) Religieuze juridische familie → oorsprong in religieuze bronnen Bijv.: islamitisch / hindoeïstisch / joods → rechtssystemen

(5) Inheemse juridische familie → rechtsstelsels → voornamelijk bestaande uit ongeschreven gewoonterecht. → focus ligt op de gemeenschap Bijv.: Afrikaanse inheemse wet

(6) Hybride / Gemengde Juridische Familie → Verschillende componenten / rechtssystemen speelden een rol bij de ontwikkeling Bijv.: Zuid-Afrika / Schotland / Sri Lanka

BELANGRIJKSTE CONCEPTEN:

Culturele diversiteit → Veel verschillende culturen / culturele groepen.


Islamitische wetboeken in het Maleis

9 Twee academici uit Atjeh hebben in 2015 met een kleine plaatselijke uitgeverij de transcriptie gepubliceerd van drie grote compendia van islamitisch recht, geschreven in Atjeh en Borneo, in de 17e en 18e eeuw. Zij zijn de Mir'at al-Tullab (The Mirror of Seekers) door Abdurrauf bin Ali al-Singkili3, the Safinat al-Hukkam (The Vessel of Judges) door Jalaluddin al-Tarusani, en de Sabil al-Muhtadin (The Path of the Rightly Guided) door Muhammad Arsyad al-Banjari (zie al-Singkili, 2015 al-Tarusani, 2015 al-Banjari, 2015-2017, in de referenties hieronder). Ik zal alleen over de eerste twee praten, omdat ik de derde niet heb kunnen zien, waarvan het voldoende is om te zeggen dat de auteur, Muhammad Arsyad, van wie wordt aangenomen dat hij meer dan honderd jaar heeft geleefd (1710-1812), veel jaar in Mekka, tegelijkertijd met Abdul Samad al-Palimbani, Abdul Wahab Bugis en Abdul Rahman al-Misri. Toen hij terugkeerde naar Banjar in Zuid-Borneo, schreef hij de Sabil al-Muhtadin (rond 1780), wat een uitgewerkte bewerking is van Nuruddin al-Raniri's Sirat al-Mustaqim (geschreven in Atjeh in 1644), in opdracht van Sultan Tahmidullah. De Sabil al-Muhtadin, beperkt tot rituele verplichtingen (hukum ibadah), is tot voor kort erg populair geweest in Indonesië en Maleisië en werd meerdere malen gepubliceerd in Jawi (d.w.z. in Arabische karakters).

10 De vier bovengenoemde titels zijn niet de enige fiqh compendia geschreven in het Maleis tussen de 17e en de 19e eeuw. Andere titels zijn bekend, bijvoorbeeld de talrijke manuscripten gewijd aan wetten met betrekking tot het huwelijk (Bab al-Nikaho), verschillende werken van Daud bin Abdullah al-Patani (d. ca. 1845), zoals Bughyat al-Tullab en Furu' al-Masa'il (zie Matheson & Hooker, 1988), of de Al-Qawanin al-Syar'iyah (1881) door Sayyid Uthman al-‘Alawi (die onlangs is gepubliceerd door het Ministerie van Religieuze Zaken in Jakarta).

11 Toch zijn in het corpus van Maleisische teksten uit de ‘klassieke’ periode (bijvoorbeeld vóór de 20e eeuw) werken die betrekking hebben op het islamitisch recht vrij zeldzaam. De vier eerder genoemde teksten worden overal geciteerd, maar de informatie daarover, onvermoeibaar gekopieerd van het ene boek of het ene artikel naar het andere, is vaag en onzeker. Dus slechts een handvol wetten verteert, in tegenstelling tot honderden pamfletten die betrekking hebben op andere gebieden van het religieuze domein, zoals theologie, soefisme, koranexegese, hadith-verzamelingen, moraliteit, enz.

12 boeken over islamitisch recht (fiqh, fikih, fikah) hebben altijd in manuscriptvorm gecirculeerd (de manuscripten van sommigen waren talrijk over de hele Indonesische archipel), naast enkele edities in Jawi die voor koranscholen waren gemaakt. Het woord fiqh wordt gewoonlijk vertaald als "jurisprudentie" omdat: fiqh is niet de wet (heilige wet, shari'a, is vervat in de Koran en de Sunna), maar de interpretatie van de wet. Dienovereenkomstig leggen de bovenstaande boeken de wet uit volgens de Shafi'i-school, maar geven in sommige gevallen ook het advies van de drie andere soennitische scholen (Hanafi, Maliki, Hanbali) en leveren de principes van de wet zoals ze door dergelijke scholen zijn geformuleerd. en zo'n auteur. In dat opzicht verschillen ze fundamenteel van de wetboeken van moderne staten.

  • 4 Deze passage is onvolledig in de editie 2015 (p. 178), vanwege een drieregelige lacune veroorzaakt door (. )

13 Jalaluddin verklaart in zijn inleiding (2015, p. 11) dat het voorzichtig is om in specifieke gevallen de voorschriften van verschillende scholen te respecteren om zeker te zijn op de goede weg te zijn. Over veel zaken ontmaskert hij inderdaad het standpunt van andere scholen dan de Shafi'i, waarbij het lijkt alsof rechters vrij zijn om de een of de ander te kiezen, afhankelijk van de omstandigheden. In het hoofdstuk over rechterlijke uitspraken (Baht kitab al-aqdiyah), citeert Jalaluddin Shaykh Abd al-Wahhab al-Sha'rani: “Ik haat de rechter die zich aan de rechtenstudie houdt (mazhab) van zijn vader of zijn sjeik bij het uitspreken van een vonnis, terwijl hij weet dat dit vonnis niet in het belang is van het volk van Mohammed in zijn eigen tijd en dat hij naar een andere school zou kunnen overstappen.4” Volgt een lange lijst met voorbeelden van verschillen van mening tussen de vier scholen.

  • 5 Ik gebruik de uitdrukking “Koranscholen” om allerlei scholen aan te duiden voor het onderwijzen van de religi (.)

14 Het aantal werken over islamitisch recht in het Maleis is mager in vergelijking met dat van Arabische verhandelingen over het onderwerp waarvan bekend is dat ze in Indonesië zijn verspreid, hetzij in religieuze rechtbanken of in koranscholen.5 De ​​wetboeken die in die scholen zijn bestudeerd, zijn goed gedocumenteerd en bestudeerd (voornamelijk door LWC van den Berg, 1886, en M. van Bruinessen, 1995, zie ook Steenbrink, 1984), maar de boeken die door islamitische rechtbanken worden gebruikt, zijn veel duisterder. Het lijkt erop dat zelfs Arabische boeken zeldzaam waren. GWJ Drewes wijdde een studie aan de teksten waarvan bekend is dat ze afkomstig zijn uit één regio van Indonesië, namelijk Palembang, op basis van de manuscripten, meestal uit de 19e eeuw, die tegenwoordig in openbare bibliotheken worden bewaard. Onder andere conclusies merkte hij op: “de volledige afwezigheid van boeken over islamitisch recht (fiqh) valt het meest op. Dit soort boeken kan immers niet ontbreken in Palembang, temeer daar deze stad, eeuwenlang een moslimcentrum, de zetel was van een religieuze rechtbank die onder het gezag van de opperbevelhebber Panghulu viel (Drewes 1977: 217) . ”Gezien dit gebrek aan documentatie, is de gelijktijdige publicatie van de Mir'at al-Tullab en de Safinat al-Hukkam is een vrij uitzonderlijke gebeurtenis.


Omdat westerse rechtsbegrippen de basis vormden van een wereldwijd gedeelde gemeenschappelijke rechtstaal, is de taal van rechtsvergelijkend recht onvermijdelijk westers geworden. Bij het bestuderen van historische samenlevingen die deze taal niet deelden, zullen analyses die deze taal gebruiken altijd anachronismen riskeren vanwege de inherente veronderstellingen, of het nu gaat om de betekenissen die aan bepaalde termen worden gegeven, of de manier waarop verschillende rechtsgebieden worden gecategoriseerd en van elkaar worden onderscheiden . Een manier om dergelijke anachronismen te vermijden zou zijn om te proberen een ander rechtsconcept te formuleren dat neutraal is ten opzichte van westerse en niet-westerse rechtstradities. Dit zou de analyse echter afleiden van discussies op andere gebieden van juridische studies die worden uitgevoerd in de bovengenoemde gemeenschappelijke rechtstaal, wat op zijn beurt de betekenis van rechtsvergelijking voor deze discussies zou beperken. Door te kijken naar de historische processen van juridische modernisering in China en Japan, wordt in dit artikel besproken hoe men het risico van anachronisme kan beheersen bij het schrijven van een juridische geschiedenis van niet-westerse samenlevingen, terwijl ook een verband wordt behouden met een breder scala aan juridische studies.

Nadat deel I enkele van de theoretische problemen van het bestuderen van de Chinese en Japanse samenleving als een rechtsvergelijkend project heeft beschouwd, zal deel II de debatten over juridische hervormingen in China en Japan aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw bekijken. Hoewel deze debatten serieuze discussies omvatten over het opnemen van traditionele aspecten van de Chinese of Japanse samenleving in het nieuw gevormde rechtssysteem in westerse stijl, werden de discussies zelf gevoerd in een in wezen verwesterde taal, die de tradities van Japans en Chinees identificeerde als ‘gebruiken’, een juridisch begrip dat in de loop van de modernisering nieuw is ingevoerd. Hoewel het beschouwen van bepaalde traditionele praktijken en instellingen als 'gebruik' een anachronisme zou kunnen zijn, kan de omvang en het belang van dit anachronisme worden beoordeeld door een studie van het interactieproces waardoor dit gezichtspunt werd aangenomen.Deel III van dit artikel stelt een benadering voor om het traditionele Chinese eigendomsregime te bestuderen, mede vanuit een studie van het historische proces van interactie tussen het westerse koloniale recht en de lokale samenleving in China. Met behulp van een analyse van deze interactie als uitgangspunt, wordt besproken hoe relevante aspecten van de Chinese samenleving en hun onderlinge verbanden kunnen worden geïdentificeerd, wat mogelijkheden biedt voor vergelijkingen die niet beperkt zijn tot Oost-Westvergelijkingen, en het draagt ​​ook bij aan een meer algemene juridische discussie over familie, eigendom en staatsvorming.


Betekenis

Op bepaalde rechtsgebieden vormt het natuurrecht de essentiële argumentatiebasis voor het bepalen van de niet-beschikbare minimuminhoud van normen. Bijzonder opvallend zijn gedragsvereisten of geboden die worden voorgeschreven aan mensenrechten of internationaal recht en die verder moeten gaan dan nationale positivistische voorschriften. "Natuurrecht is dan dat deel van het menselijke natuurrecht dat betrekking heeft op het gemeenschapsleven", want alleen waar gemeenschap is, is ook recht, daarom definieert Johannes Messner het als volgt:

“Natuurwet is de orde van het bestaan, de basisorde van het menselijk bestaan ​​als mens, in de meest ware en volledige zin van 'bestaan', de orde waarvan hij zich bewust wordt van de specifieke inhoud van de eisen die bestaan, volgens het principe dat alle kennis wordt bepaald door ervaring, ook dat van de beginselen van de juridische rede als onderdeel van de praktische rede. Aldus begrepen, worden deze eisen door de volledig ontwikkelde rede gezien in hun algemene waarheid en in hun algemeen bindende geldigheid. "


Betekenis en kritiek

De basiswet is een voorbeeld van de succesvolle herdemocratisering van een land. Dit geldt in het bijzonder voor de oprichting van het Federale Grondwettelijk Hof, dat met zijn jurisprudentie de interpretatie en de realiteit van de grondwet beslissend heeft bepaald. Het Federale Grondwettelijk Hof met zijn verregaande bevoegdheden was ongekend in 1949, net als het centrale belang van het principe van de menselijke waardigheid. Inmiddels zijn beide elementen geëxporteerd naar andere grondwetten.

Er wordt echter vaak op gewezen dat de ontwikkeling van een stabiele democratie in Duitsland minder terug te voeren is op de concrete conceptie van de basiswet en meer op de economische voorspoed van de naoorlogse periode. Er wordt echter tegengeworpen dat de economische kracht van (West-)Duitsland zich niet had kunnen ontwikkelen zonder stabiele juridische en politieke voorwaarden. Dit omvat met name sociale vrede, die tot stand is gekomen door de verzorgingsstaatwet en de constitutionele verankering van vakbonden en werkgeversorganisaties (art. 9, lid 3).

Het staat buiten kijf dat de grondwettelijke structuur van de grondwet, gebaseerd op de onderlinge koppeling en controle van bevoegdheden, tot dusver haar waarde heeft bewezen. Vaak wordt het federalisme, d.w.z. de blokkeringsopties van de Federale Raad, echter gezien als een belemmering voor de uitvoering van belangrijke hervormingsprojecten. De basiswet zou de facto leiden tot een consensusdemocratie.


Groot-Brittannië's strategische belang in de Zuid-Chinese Zee

Eind augustus vorig jaar begonnen er verhalen te verschijnen in de media van een confrontatie tussen de Royal Navy en de People's Republic of China's People's Liberation Army Navy (PLAN) in de Zuid-Chinese Zee. Destijds ging het gerucht dat de HMS Albion, een amfibisch aanvalsschip, een of andere vorm van onwettige of buitensporige Chinese maritieme claim in de regio had aangevochten. Later bleek dat de Royal Navy de vrijheid van navigatie in internationale wateren tussen de Paracel-eilanden had beweerd, waardoor het Verenigd Koninkrijk het enige andere land dan de Verenigde Staten was dat bevestigde een zogenaamde Freedom of Navigation Operation (FONOP) te hebben ondernomen. Al snel kwamen vragen naar voren: wat doet de Volksrepubliek China in de Zuid-Chinese Zee? En waarom is de Koninklijke Marine daar actief?

Op vriendelijke uitnodiging van Ross Thomson MP, parlementslid voor Aberdeen South, nodigt de Henry Jackson Society u uit om u aan te sluiten bij Dr. John Hemmings en James Rogers, die hun nieuwste beleidsdocument "The South China Sea: Why it Matters to Global Britain" zullen uiteenzetten. Ze zullen uitleggen wat Peking doet in de Zuid-Chinese Zee en waarom het belangrijk is voor het Verenigd Koninkrijk. Ze zullen ook uiteenzetten waarom zij vinden dat de Britse regering een meer transparante en gezamenlijke strategische benadering van de regio moet ontwikkelen, met name met betrekking tot pogingen om het recht van de zee en de bredere, op regels gebaseerde internationale orde te herzien.

Dr. John Hemmings – is directeur van het Asia Studies Centre bij de Henry Jackson Society en een Adjunct Fellow bij het Centre for Strategic and International Studies. Voorafgaand aan zijn doctoraatsstudie was hij visiting fellow bij Pacific Forum CSIS en onderzoeksanalist bij het Royal United Services Institute in Whitehall, waar hij werkte aan het veiligheids- en defensiebeleid van Noordoost-Azië. Hij schrijft al bijna 10 jaar over buitenlands en veiligheidsbeleid in Noordoost-Azië en bekleedde onderzoeksfuncties bij het Royal United Services Institute en de Asia Foundation. Hij draagt ​​bij aan politieke analyses voor verschillende media, waaronder de BBC, de Telegraph, Fox News, CNN, de Mainichi Shimbun, de Diplomat en de National Interest en is een vaste klant op Monocle 24 Radio.

James Rogers – is directeur van het 'Global Britain'-programma van de Henry Jackson Society, waarvan hij een van de oprichters is. Voorheen bekleedde hij een aantal functies aan het Baltic Defence College in Estland en werkte hij bij het European Union Institute for Security Studies in Parijs.

dr. Bill Hayton werd in 2015 benoemd tot Associate Fellow bij het Asia-Pacific Program in Chatham House en werkt sinds 1998 als journalist bij BBC News. Hij was in 2006/7 de BBC-reporter in Vietnam en was een jaar gedetacheerd bij de staatsomroep in Myanmar in 2013/14 bezig met mediaontwikkeling. Hij richt zich op de Zuid-Chinese Zee-geschillen en actualiteiten in Zuidoost-Azië. Hij heeft overheidsdiensten, functionarissen en bedrijven in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Europa en Azië geïnformeerd en over deze onderwerpen geschreven voor tal van media. Hij is afgestudeerd aan de Universiteit van Cambridge en een Fellow van de Royal Geographical Society.

Ross Thomson MP – In 2016 werd Ross via de regionale lijst gekozen in het Schotse parlement. Tijdens de tijd dat Ross in het Schotse parlement zat, werd hij geselecteerd om zitting te nemen in de Education and Skills Committee en als woordvoerder van de Scottish Conservative and Unionist Party op het gebied van hoger onderwijs, voortgezet onderwijs, wetenschap en technologie. Ross werd een woordvoerder van de Vote Leave-campagne in het EU-referendum van 2016 als een van de weinige pro-Brexit-leden van het Schotse parlement. Op 8 juni 2017 werd Ross parlementslid voor Aberdeen South. Ross Thomson is een geboren en getogen Aberdoniër. Hij volgde zijn opleiding aan de Balmedie Primary School, Bridge of Don Academy en studeerde in 2009 af aan de University of Aberdeen in een First Class MA (Hons) in Politics and International Relations.

EVENEMENT OVERZICHT

Op 30 januari bespraken Dr. John Hemmings en James Rogers van de Henry Jackson Society hun beleidsnota 'De Zuid-Chinese Zee: waarom het belangrijk is voor Groot-Brittannië', samen met Dr. Bill Hayton en op vriendelijke uitnodiging van Ross Thomson MP.

Ross Thompson introduceerde het onderwerp door te benadrukken dat de Zuid-Chinese Zee cruciaal is en dat we ons meer moeten profileren in de Indo-Pacific. Het VK vindt zichzelf opnieuw uit naar de rest van de wereld en we zien steeds meer agressie uit China. Hij stelde de vragen, die vervolgens in het rapport worden beantwoord, wat doet China in de Zuid-Chinese Zee en waarom? Wat kan het VK eraan doen als Global Britain?

Het rapport is een van de weinige vanuit een Brits perspectief en Dr. John Hemmings stelde vast dat het kan worden onderverdeeld in twee of drie vragen en antwoorden, inclusief economische en strategische kwesties. Waarom is Groot-Brittannië daar? Wat is de interesse zo ver weg?

Dr. Hemmings benadrukte dat Azië een groot centrum van het wereldwijde BBP aan het worden is en dat momenteel de Zuid-Chinese Zee 12% van de handel naar het VK importeert, wat een aanzienlijk deel van de wereldwijde handelsinkomsten is. Zeevaart is goed voor 9% van de wereldhandel en dit zal naar verwachting toenemen, met steden langs deze handelsroute. Hij voorspelde ook dat Azië de motor van economische groei is en dat Groot-Brittannië daar echt zou moeten zijn en hij ziet geen reden waarom Groot-Brittannië niet betrokken zou moeten zijn bij deze aardverschuiving. De grootste zorg op dit moment is dat de discussies in Groot-Brittannië niet hebben gewerkt om de orde te verdedigen dat de vaarroutes voor iedereen zijn en niet mogen worden afgebroken.

James Rogers ging verder van Dr. Hemmings door te identificeren dat deze regio de toekomst is, niet het verleden, en dat de toenemende belangstelling van Groot-Brittannië voor dit gebied niet te maken heeft met geschiedenis, maar met het feit dat het het centrum aan het worden is. Hij presenteerde het idee dat Groot-Brittannië een op regels gebaseerd systeem moet steunen door een overtuigende invloed uit te oefenen, waardoor niet alleen de vraag rijst waarom de Zuid-Chinese Zee belangrijk is voor het VK, maar ook waarom het VK van belang is voor de Zuid-Chinese Zee?

Wat zijn onze opties? Waarom maken we ons zorgen over het Chinese regime? Dr. Bill Hayton zei dat we gewoon niets anders konden doen dan dat China een leninistische en ondoorzichtige manier van werken heeft. Het is illegaal om lijnen in zee te trekken met gebruikmaking van eisen en bedreigingen, waardoor landen als de Filippijnen 20% van hun elektriciteitsvoorziening verliezen als gevolg van China. Als de wet van de zee op de ene plaats instort, zullen we die overal elders zien instorten. Onze huidige welvaart, merkte hij op, is een combinatie van gratis mondiale goederen en een vrije regering, Groot-Brittannië moet deze kwesties verdedigen.


Welke opleiding moest gevolgd worden om rechten te studeren in het 17e-eeuwse Europa? - Geschiedenis

Hoofdstuk zes

Versterking van de juridische status van vrouwen en ter bescherming van vrouwen werd een reeks wetten gemaakt in het rechtsregime van Bangladesh. Vrouwen worden beschouwd als het achtergebleven deel van ons land. Er zijn veel speciale wetten aangenomen en er zijn speciale rechtbanken of tribunalen opgericht voor de bescherming en ontwikkeling van vrouwen.

De verordening van de familierechtbanken, 1985 en de familierechtbanken (civielrechtelijke procedure):

Familierechtbanken, die meer dan twintig jaar geleden in het land zijn opgericht, hoeven niet opnieuw vertrouwd te worden gemaakt. Als u geen advocaat bent, hoeft u misschien niet de procedure van het proces in de rechtbanken te leren. Het is misschien zelfs niet nodig dat iedereen de jurisdictie van de rechtbanken kent. Maar u moet weten wat uw rechten zijn om via familierechtbanken te worden uitgeoefend. Daarom is dit artikel bedoeld om u te informeren over uw omgang met een familierechtbank.

Door de Family Court Ordinance 1985 krijgen de Family Courts de exclusieve bevoegdheid voor snelle beslechting en beslechting van geschillen, alleen in rechtszaken met betrekking tot ontbinding van het huwelijk, teruggave van echtelijke rechten, bruidsschat, alimentatie, voogdij en voogdij over kinderen. De rechtbanken begonnen overal in het land te werken, behalve in de heuveldistricten Rangamati, Bandarban en Khagrachhari. Kort nadat de rechtbank begon te functioneren, werden er vragen gesteld over de vraag of de familierechtbanken zich alleen zouden bezighouden met familiezaken van de moslimgemeenschap of van alle gemeenschappen. De onzekerheid duurde lang totdat in 1998 een speciale High Court-bank van de Supreme Court in een padvindingsvonnis alle vragen over de bevoegdheid van de familierechtbank wegnam. Elke advocaat en rechter die met familierechtbanken te maken heeft, wordt verondersteld op de hoogte te zijn van het vonnis. Maar de gewone mensen voor wie de rechtbanken zijn ingesteld, lijken nog steeds niet op de hoogte van de grote beslissing die de gerechtigheidzoekers in de familierechtbanken verlost van een schadelijke onzekerheid. Sectie 5 van de Family Court Ordinance, 1985 spreekt over de jurisdictie van de Family Courts, die luidt als volgt: “Onder voorbehoud van de bepalingen van de Muslim Family Laws Ordinance, 1961 (VII van 1961), heeft een familierechtbank exclusieve jurisdictie om te oordelen over, een rechtszaak proberen af ​​te doen die verband houdt met, of voortvloeit uit, alle of een van de volgende zaken,

namelijk:-
(a) ontbinding van het huwelijk
(b) teruggave van echtelijke rechten
(c) bruidsschat
(d) onderhoud
(e) voogdij en voogdij over kinderen

Net nadat de familierechtbank in werking is getreden, is er verwarring, zoals hierboven vermeld, over zijn bevoegdheid om te bepalen of een familierechtbank alleen een rechtbank voor de moslimgemeenschap is. In Krishnapada Talukder versus Geetasree Talukder [14 (1994) BLD 415] de vraag was of een vrouw, Hindoe van geloof, bij een familierechtbank een proces kon aanspannen voor alimentatie tegen haar man. De eervolle rechter van de High Court Division oordeelde dat "volgens de bepalingen van de huidige verordening, alle secties van de 27 sectie-statuten beschikbaar zijn gesteld voor de rechtzoekenden die alleen moslim zijn door hun geloof."

Het genoemde vonnis kwam op 5 juni 1994 en slechts een paar dagen later, op 25 juli 1994 in Nirmal Kanti Das versus Sreemati Biva Rani [14 (1994) BLD (HCD) 413], de High Court Division uitgedrukt diametraal tegenovergestelde mening. De geleerde rechter van de High Court Division, verwijzend naar sectie 3 van de Ordonnantie, oordeelde dat de bepalingen van de Family Courts Ordinance van kracht zullen zijn, niettegenstaande iets dat voorlopig van kracht is in ‘en andere wetten’. Uit de uitdrukking "andere wetten"8217 blijkt dat de verordening van de familierechtbank de verordening inzake de islamitische familiewet van 1961 controleert en niet omgekeerd. Dus elke persoon die een geloof belijdt, heeft het recht om een ​​rechtszaak aan te spannen voor beslechting en beslechting van geschillen met betrekking tot ontbinding van het huwelijk, teruggave van echtelijke rechten, bruidsschat, alimentatie, voogdij en voogdij over kinderen. En dus heeft een hindoe-vrouw het recht om een ​​proces voor alimentatie tegen haar man aanhangig te maken bij een familierechtbank.

In Meher Nigar versus Md Mujibur Rahman [14 (1994) BLD (HCD) 467] de High Court Division bevestigde de bovengenoemde opvatting door te oordelen dat de islamitische familiewet van 1961 enkele wijzigingen in de orthodoxe islamitische persoonlijke wetten met betrekking tot polygamie, <>talaq<> en erfenis heeft ingevoerd en om die te behouden hervormingsbepalingen van de Ordonnantie van 1961 van kracht is, is bepaald dat de bepalingen van de Ordonnantie van de Moslimfamiliewet van 1961 niet worden beïnvloed door de bepalingen van de Family Court Ordinance van 1985 en sectie 23 van de Family Courts heeft het gebied gespecificeerd dat niet mag worden getroffen. Het geeft anders aan dat de bepalingen van de Family Courts Ordinance van toepassing zijn op andere gemeenschappen die de bevolking van Bangladesh vormen. Na dergelijke verschillende opvattingen en beslissingen was de verwarring over de jurisdictie van de familierechtbank natuurlijk. En die verwarring duurde voort tot 1997, toen een grotere bank van de High Court Division van het Supreme Court in zijn baanbrekende arrest in Pochon Rikssi Das versus Khuku Rani Dasi en anderen [50 (1998) DLR (AD) 47] alle verwarring weggenomen. De speciale rechtbank van de High Court Division, bestaande uit drie rechters, bevestigde dat “de Family Court Ordinance geen enkel persoonlijk recht heeft weggenomen van een rechtzoekende van welk geloof dan ook. Het heeft zojuist het forum verschaft voor de handhaving van sommige van de rechten, zoals blijkt uit sectie 4 van de verordening, waarin is bepaald dat er evenveel familierechtbanken zullen zijn als er rechtbanken van hulprechters zijn, en de laatstgenoemde rechtbanken zullen de familierechtbanken zijn voor het doel van deze verordening.

Bovendien verklaarde de rechtbank ook dat 'de verordening van de familierechtbanken van toepassing is op alle burgers, ongeacht hun religie'8217.

Het lijkt nogal relevant om enkele van de door het Hof aangevoerde argumenten te verwijzen. Er werd ingediend dat:

Als de verordening van de familierechtbank bedoeld is om alleen van toepassing te zijn op de moslimgemeenschap, dan was er geen reden om deze niet dienovereenkomstig te verstrekken, zoals is gedaan in het geval van de verordening van de moslimfilmily-wetten van 1961. De verordening van de familierechtbank had moeten worden genoemd als verordening van de moslimfamilierechtbanken . …….in de familierechtbankverordening was er geen exclusieve uitsluiting van enige gemeenschap en tenzij er een specifieke uitsluiting is, zal de wet algemene toepassing hebben, dat wil zeggen dat deze van toepassing zal zijn op de burgers van alle religies. ….. als de secties 3, 5 en 24 van de familierechtbankverordening samen worden gelezen, zal het duidelijk zijn dat voogdij en voogdij over kinderen exclusief berecht werden in de familierechtbanken en tenzij de wet van toepassing is op al -Moslim kan verlichting krijgen in genoemde zaken. …… 5 zaken opgesomd in sectie 5 van de familierechtbankverordening zijn persoonlijke wetten van de burgers van verschillende geloofsovertuigingen die verschillende regels volgen in de zaken opgesomd in de sectie of helemaal geen regel hebben zoals in het geval van Dower en ontbinding van het huwelijk in het geval van hindoes. Het kan zijn dat niet alle burgers bij alle zaken betrokken zijn, maar dat kan geen reden zijn om aan te nemen dat de verordening alleen van toepassing is op de moslims. De verordening van de familierechtbanken heeft geen inbreuk gemaakt op de persoonlijke wetten van de burger van welk geloof dan ook. Deze verordening bepaalde dat de familierechtbanken bevoegd zullen zijn om rechtszaken te behandelen en te beslissen over de zaken die zijn opgesomd in sectie 5, behoudens de bepalingen van de moslimfamiliewetsverordening, wat betekent dat, terwijl een zaak onder de moslims wordt afgehandeld, de bepalingen van de moslimfamiliewetsverordening in gedachten moeten worden gehouden. …..als er geen exclusieve jurisdictie van familierechtbanken was geweest, kunnen er complicaties optreden in zaken die zijn ingediend door man en vrouw die verschillende religies belijden. Niet alle persoonlijke wetten van moslims zijn opgenomen in sectie 5. Sommige bepalingen van de persoonlijke wetten van moslims, zoals Waqf, Gift, parentage etc. zijn buiten de bepalingen van de Family Court-verordening gehouden. Er kan dus niet gezegd worden dat dit alleen voor de moslim is.

Dienovereenkomstig mag er geen verwarring blijven bestaan ​​over de jurisdicties van de familierechtbanken. Voortaan lijkt het overbodig te vermelden dat een familierechtbank rechtszaken kan berechten onder: De hindoe-gehuwde vrouwenrecht op gescheiden verblijfs- en onderhoudswet 1946, de wet die de Hindoe-vrouwen het recht heeft gegeven om in aparte huizen te wonen en het levensonderhoud te krijgen, maar heeft geen forum verschaft om de rechten af ​​te dwingen.

Een andere kwestie moet worden verduidelijkt dat de verordening van de familierechtbanken niet van toepassing is op de heuveldistricten Rangamati, Bandarban en Khagrachhari. Het feit is dat aanvankelijk de heuveldistricten werden bestuurd door de Hill Districts-verordening van 1900 en deze werd in 1983 ingetrokken, maar aangezien er geen nieuwe wet is ingevoerd voor het beheer van het gebied, volgens de bepalingen van de General Clauses Act, is de ingetrokken wet nog steeds van kracht en de Hill Districts-verordening loopt nog steeds, wat resulteert in uitsluiting van Family Courts daar. Dit betekent niet dat stammen geen beroep kunnen doen op een familierechtbank. De kostuums onder de aboriginals adivasi of stammen kunnen worden berecht door een familierechtbank als ze verblijven binnen de lokale grenzen, dat wil zeggen, de territoriale jurisdictie van de familierechtbank.

Bijzondere Strafwetten en Strafrechtbanken (strafrecht):

Wetten zijn gemaakt met de bedoeling om misdaad tegen vrouwen te verminderen. Dit standpunt is onderschreven in het arrest van Justitie Badrul Haque in de zaak Amin vs. Bangladesh. De geachte rechter merkte op, “Een vrouw die is verkracht ondergaat twee crises, de ene de verkrachting en de andere het daaropvolgende onderzoek en proces. Een slachtoffer van een zedenmisdrijf moet bepaalde beproevingen ondergaan. Deze beginnen met behandeling door de politie en gaan door via een door mannen gedomineerde strafrechtspleging”. In Bangladesh is 50% van alle moorden op vrouwen door hun partners, 68% heeft nooit iemand verteld dat ze geslagen zijn? Veel vrouwen melden het niet. Het gebrek aan goede rapportage is niet alleen vanwege de ontoereikendheid van overheidsfunctionarissen, maar ook omdat vrouwen zelf terughoudend zijn om aangifte te doen van misdaden tegen hen uit angst voor herhaald geweld, eer of gezichtsverlies van hun familie en uit angst dat ze zullen worden afgewezen uit hun echtelijke woning. Wanneer een vrouw echter besluit te scheiden, meldt ze vaak dergelijk geweld.

Een recent onderzoek door Dr. Nusrat Ameen stelde dat de officiële statistieken ons geen volledig beeld geven van de incidentie van geweld tegen vrouwen. Dit vacuüm kan alleen worden opgevuld door verder onderzoek naar de kwestie.

De Wreedheid tegen Vrouwen (Afschrikkende Straf) Ordonnantie van 198? werd vervangen door de repressie tegen vrouwen en kinderen (bijzondere wet), wet xviii van 1995. Deze wet heeft de doodstraf opgelegd voor tien misdaden tegen vrouwen en kinderen (volgens secties 4, 5(b), 5(d), 6(1) )-(4), 7, 10(1) en 12). De misdaden waarbij vrouwen en kinderen worden getroffen, omvatten het veroorzaken van de dood door bijtende stoffen, het veroorzaken van blijvende schade aan het lichaam door bijtende stoffen, voor verkrachting, voor verkrachting met moord, voor verkrachting met poging tot moord, voor groepsverkrachting, voor groepsverkrachting met moord, voor bruidsschat dood en voor kinderhandel.

De repressie van vrouwen en kinderen (bijzondere wet), wet xviii van 1995 is in 2003 gewijzigd door de wet. De nieuwe wet heeft voornamelijk wijzigingen aangebracht met de bedoeling het enorme aantal hangende zaken tot een minimum te beperken en de afhandeling van zaken zonder buitensporige vertraging te bespoedigen. In de wet van 1995 was een limiet van 120 dagen voorzien. Deze limiet werd verlengd tot 180 dagen om voldoende tijd te geven voor het proces van zaken onder de wet van 2000.

De hoofdlijnen van de secties van de gewijzigde wet van 2003 hieronder zullen de strafprocedure voor misdaad tegen vrouwen benadrukken: Nari O Shishu Domon Ain van 2003, sectie -18: Onderzoek van een misdrijf:

1. Ongeacht enige wet in het Wetboek van Strafvordering onderzoek naar een strafbaar feit onder deze wet

  1. wanneer de verdachte op heterdaad wordt betrapt door de politie of door een andere persoon en hem bij de politie heeft afgegeven, moet het onderzoek binnen 15 werkdagen na de datum waarop de verdachte is gepakt, zijn afgerond.
  2. wanneer de beschuldigde persoon niet op heterdaad wordt betrapt, zal zijn onderzoek binnen 60 werkdagen vanaf het eerste informatierapport (FIR) of anderszins worden afgerond door de gerelateerde officier of een andere officier met de bevoegdheid of vanaf de datum van het bevel dat is gegeven door de Tribunaal.

2. Indien het onderzoek niet binnen de in lid (1) vastgestelde tijd is afgerond, voltooit de onderzoeksfunctionaris het onderzoek met nog eens 30 dagen door de oorzaak van de vertraging schriftelijk in te dienen, en een reden voor de oorzaak te geven aan zijn controlerende instantie. Officier, al dan niet schriftelijk, moet het schriftelijke rapport worden ingediend bij het Tribunaal dat het bevel heeft gegeven.

3. Indien het onderzoek niet binnen de in het tweede lid gestelde termijn is afgerond, voltooit de opsporingsambtenaar het onderzoek binnen 24 uur onder opgave van de reden van de vertraging aan de controlerend ambtenaar dan wel de schriftelijke rapportage met opgave van de reden van de vertraging. worden ingediend bij de rechtbank die het bevel heeft gegeven.

Na de erkenning dat de melding niet is afgerond op grond van het derde lid, kan de controlerend ambtenaar of het Tribunaal dat de opdracht heeft gegeven, het onderzoek overdragen aan een andere opsporingsambtenaar en op deze manier wanneer het onderzoek wordt overgedragen aan de opsporingsambtenaar- Wanneer de beschuldigde persoon op heterdaad wordt betrapt door de politie of door een andere persoon en hem bij de politie heeft afgegeven, moet het onderzoek binnen 7 werkdagen na de datum waarop de verdachte werd gepakt, worden afgerond of in andere gevallen moet hij het onderzoek binnen 30 werkdagen.

5. Indien het onderzoek niet binnen de in het vierde lid gestelde termijn is afgerond, deelt de opsporingsambtenaar de redenen voor de vertraging mede aan de controlerend ambtenaar of geeft een schriftelijke opgave van de reden van de vertraging die moet worden ingediend bij het Tribunaal dat het bevel binnen 24 uur gaf.

6. Indien het onderzoek niet binnen de gestelde termijn is afgerond, moet na verificatie van het schriftelijke rapport van de opsporingsambtenaar, de controlerend ambtenaar of anderszins het tribunaal, dat het onderzoek heeft gelast, beslissen of de opsporingsambtenaar verantwoordelijk is voor het niet geven van rapport van onderzoek binnen de tijdslimiet, dan zal worden gemeld dat de verantwoordelijke persoon ongekwalificeerd is en wangedrag heeft begaan en deze onkwalificatie en wangedrag zal worden geschreven in zijn jaarlijkse vertrouwelijke rapport en in een bepaald geval zal hij worden beschuldigd volgens dienst regels.

7. Indien het Tribunaal na verificatie van het onderzoeksrapport tot de overtuiging is gekomen dat de persoon die als verdachte wordt beschouwd, als getuige moet worden gehoord, kan het Tribunaal de persoon opdragen als getuige in plaats van beschuldigd te worden. 8. Indien het Tribunaal na het sluiten van het bewijs van de getuigen vaststelt dat de opsporingsambtenaar op grond van deze wet, in het onderzoeksrapport probeert de verdachte te redden of zonder een waardevolle getuige te verhoren of ten onrechte geen bewijs vindt om het misdrijf vast te stellen, de verdachte persoon getuige wordt gemaakt in plaats van beschuldigd, dan zal de bovengenoemde onderzoeksfunctionaris worden aangeklaagd voor zijn daad of zal worden beschouwd als een onbevoegd persoon die wangedrag pleegt en zal voor deze onkwalificatie en wangedrag door het Tribunaal worden aangeklaagd door de controlerend ambtenaar van die opsporingsambtenaar om juridische stappen tegen hem te ondernemen. 9. Het Tribunaal kan de onderzoeksfunctionaris wijzigen en de controlerend functionaris gelasten een andere onderzoeksfunctionaris aan te stellen wanneer een verzoekschrift bij het Tribunaal wordt ingediend of op basis van enige informatie.

Nari O Shishu Domon Ain van 2003, sectie -20. De procedures van het proces: Alle strafbare feiten onder deze wet zullen worden berecht door het Tribunaal van Nari O Shishu Nirjatan Domon Ain op grond van artikel 25. Wanneer een zaak bij het Tribunaal wordt gestart, wordt deze elke werkdag voortgezet totdat het proces is voltooid . Het Tribunaal moet de procedure van het proces beëindigen binnen 180 dagen vanaf de datum van indiening ervan. Als het proces niet binnen die termijn is afgerond, kan het Tribunaal de beschuldigde persoon op borgtocht vrijlaten en als de beschuldigde niet op borgtocht wordt vrijgelaten, moet de reden voor het niet verlenen van borgtocht door het Tribunaal worden opgeschreven.

Vrouwen en kinderen Nirjatan Domon Tribunaal:-1. Krachtens deze wet zal er voor de berechting van misdrijven een Tribunaal zijn in elk district en indien nodig kan de regering meer dan één Tribunaal instellen. Deze Tribunes zullen bekend staan ​​als het Nari O Shishu Nirjatan Domon Tribunaal.

2. Er zal een rechter in het Tribunaal zijn en de regering zal de bovengenoemde rechter van het Tribunaal benoemen uit de districts- en zittingsrechters van de regering.

3.De regering zal, indien nodig, een districts- en zittingsrechter aanwijzen als extra rechter van de genoemde tribunalen.

4. In deze wet worden de districtsrechter en de zittingsrechter genoemd als de aanvullende districtsrechter en de aanvullende zittingsrechter.

Nari O Shishu Domon Ain van 2003, Sectie 28 Beroep: Door een bevel van het Tribunaal te nemen, kan de beschuldigde partij binnen 60 dagen na het vonnis of de detentie in beroep gaan bij de High Court Division. Indien het Tribunaal tijdens het onderzoek van de zaak van oordeel is dat een vrouw of kind in bewaring moet worden gehouden, kan het bevelen dat die vrouw of dat kind uit de gevangenis wordt gehaald en in een door de regering aangewezen veilige woning wordt ondergebracht. of tegen vergoeding door het Tribunaal worden overgedragen aan enige organisatie of persoon in dit verband krachtens artikel 31 van de wet van 2000. Voor de privacy van de slachtoffers voorziet artikel 14 in een beperking voor de media om de vrouwen en kinderen die het slachtoffer zijn van geweld te identificeren. Het voorziet in een straf van maximaal twee jaar en één lakh taka of beide voor het niet naleven van de sectie. Deze bepaling is nodig voor de bescherming van het slachtoffer tegen de klauwen van de overtreders en nogmaals, als het niet wordt gepubliceerd, wordt de zaak soms niet verantwoord.

Verschillende soorten geweld en de wet

Misdrijven tegen vrouwen hebben moderne verzwarende vormen aangenomen, die in het verleden min of meer afwezig waren, zoals het gooien met zuur of moord voor bruidsschat. Misdaden tegen vrouwen zijn toegenomen na de onafhankelijkheid. De oorzaken voor de stijging zijn in veel gevallen vergelijkbaar met de stijging van de bruidsschat, de bruidsschat zelf is de oorzaak. Vrouwen in Bangladesh hebben niet alleen te maken met zwaardere vormen van conventionele misdrijven, maar ook met nieuwe vormen van misdrijven.

bruidsschat: Het bruidsschatsysteem wordt niet erkend in de religie of de wet van de moslimgemeenschappen, maar heeft zich erin verspreid. Omgekeerd biedt de islamitische wet een bruidsschat om de status van vrouwen te verbeteren. Waarom zouden moslimvrouwen, die door een bruidsschat zouden moeten worden beschermd, het slachtoffer worden van een bruidsschat? Hoewel recente geleerden hebben toegegeven dat de bruidsschat zich heeft verspreid naar de moslimgemeenschappen, hebben ze de positie van moslimvrouwen in dit discours grotendeels genegeerd.

Dowry-sterfgevallen zijn een veel voorkomend fenomeen in Zuid-Azië. Deze sterfgevallen van vrouwen worden meestal veroorzaakt door dezelfde personen die wettelijk en sociaal verplicht zijn hen te beschermen, d.w.z. hun echtgenoot of schoonfamilie.

De Dowry Prohibition Act van 1980 verbiedt het nemen of geven van een bruidsschat. De Wet ter voorkoming van vrouwen en kinderen van 2000 definieert bruidsschat als: geld, goederen of andere eigendommen die direct of indirect door de bruiden zijn gegeven of beloofd aan de bruidegom of zijn vader, moeder of een andere persoon van de zijde van de bruidegom op het moment van het huwelijk als tegenprestatie of voorwaarde van het huwelijk en al dat geld, goederen of eigendommen dat van de bruid of de zijde van de bruid wordt geëist door de bruidegom, zijn vader of moeder of een persoon van de zijde van de bruidegom [Sectie 2(j)] .

De Wet op de preventie van vrouwen en kinderen van 2000, sectie 11, luidt als volgt:

Als de echtgenoot van een vrouw of de vader, moeder, voogd, relatie of enige persoon die optreedt voor de echtgenoot, de dood van die vrouw veroorzaakt voor bruidsschat of pogingen om de dood te veroorzaken of deze vrouw verwondt voor bruidsschat of pogingen om dergelijk letsel te veroorzaken de vader, voogd, relatie of enige persoon van de echtgenoot of echtgenoot:

a. Voor het veroorzaken van de dood wordt bestraft met de doodstraf of voor poging tot dood door levenslange gevangenisstraf en in beide gevallen wordt een extra boete opgelegd:

b.Het veroorzaken van letsel wordt bestraft met een levenslange gevangenisstraf of voor poging tot het veroorzaken van letsel wordt bestraft met een gevangenisstraf van maximaal veertien jaar, maar niet minder dan vijf jaar, en in beide gevallen kan een extra boete worden opgelegd.[1]

Verkrachting/aanranding: Verkrachting is tot nu toe waarschijnlijk een van de meest voorkomende vormen van geweld tegen vrouwen in Bangladesh. Meestal zijn geld en spierkracht de redenen waarom de misdaad ongestraft blijft.

In de meeste onderzoeken die door Odhikar werden uitgevoerd, was de familie van het slachtoffer te arm en te onwetend om juridische middelen te zoeken. In één geval vertelde de vader van het slachtoffer, een riksjatrekker, aan Odhikar dat hij de naam van de advocaat niet kende, maar wel hoe hij eruitzag. In een andere zaak eist de advocaat betalingen voor elke verschijning in de rechtbank, terwijl hij de rechtbank om meer tijd vroeg. Verkrachting is in Bangladesh strafbaar. Zoals Sectie 376 van het Wetboek van Strafrecht stelt: "Wie een verkrachting pleegt, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of met een gevangenisstraf van een van beide beschrijvingen voor een termijn die kan oplopen tot tien jaar, en kan ook worden beboet, tenzij de verkrachte vrouw haar eigen vrouw is niet jonger dan twaalf jaar, in welk geval hij wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of met gevangenisstraf van beide beschrijvingen voor een termijn die kan oplopen tot tien jaar, en kan ook worden beboet ..." Verkrachting wordt ook door de wet begaan handhavingsambtenaren. Al deze gevallen worden niet gemeld vanwege intimidatie door de daders en ook vanwege de angst voor sociaal stigma. Van alle gevallen van verkrachting in politiehechtenis die tot nu toe aan het licht zijn gekomen, zijn er maar heel weinig daders ter verantwoording geroepen. Een reden hiervoor zou kunnen zijn dat leden van de politie onderzoek doen naar misdrijven die door hun eigen collega's zouden zijn gepleegd. Dertien vrouwen werden in het jaar 2000 verkracht door leden van de wetshandhavingsinstanties, de jongste was een meisje van zes dat werd verkracht door een politieagent in Panchagar.

De Women and Children Repression Prevention Act van 2000 behandelt het misdrijf van verkrachting en voorziet in zware straffen. Paragraaf 9 behandelt de straf voor verkrachting, groepsverkrachting en letsel of dood veroorzaakt als gevolg van verkrachting. Voor het misdrijf van verkrachting, zal de dader worden veroordeeld tot een rigoureuze levenslange gevangenisstraf met een extra boete. Voor dood veroorzaakt door verkrachting of incidenteel met verkrachting, kan de beschuldigde worden veroordeeld tot de dood of een strenge gevangenisstraf en moet hij een boete betalen tot de limiet van taka één lakh. In het geval van dood of letsel veroorzaakt als gevolg van groepsverkrachting, wordt elk van de daders veroordeeld tot de dood of een strenge gevangenisstraf met de eis van een extra boete tot de limiet van taka één lakh. In het geval van poging tot verwonding of dood na verkrachting, wordt de verdachte gestraft met levenslange gevangenisstraf met boete. Voor poging tot verkrachting is de door de wet vastgestelde straf een opsluiting of zeven tot tien jaar met een extra boete.

Op 16 juni 2003 werd een wijzigingswetsvoorstel van de Wet op de preventie van repressie van vrouwen en kinderen, 2000 ingediend in het parlement om de definities van bepaalde misdrijven te verduidelijken en de straf te verminderen om misbruik van de wet te stoppen. Het wetsvoorstel is op 13 juli 2003 door het parlement aangenomen. Onder de nieuwe wet is de definitie van een kind verhoogd van 14 jaar naar 16 jaar. Bovendien, wanneer een vrouw zelfmoord pleegt uit angst haar kuisheid te verliezen door de opzettelijke daad van een persoon, dan zal die persoon worden beschuldigd als een provocateur en zal worden gestraft voor het misdrijf met een gevangenisstraf van vijf tot tien jaar.

Het meest opmerkelijke amendement betreft het lot van een kind dat uit verkrachting is geboren. Volgens de wijziging zal een kind dat uit verkrachting is geboren onder de hoede van de moeder worden gehouden en zal het bekend zijn na zijn / haar moeder of vader of beide. Daarnaast is de staat verantwoordelijk voor het kind tot het de leeftijd van 21 jaar bereikt en, in het geval van een meisje, tot het huwelijk. De staat zal het geld voor de opvoeding van het kind van de verkrachter realiseren. De wet bepaalde dat de mening van het slachtoffer van verkrachting moet worden gehoord als de noodzaak van een cameraverhoor zich voordoet of als het slachtoffer in veilige hechtenis moet worden genomen.

Sectie 13 stelt: ongeacht iets in enige andere handeling, als een kind wordt geboren als gevolg van verkrachting,

  1. De verkrachter is verantwoordelijk voor het onderhoud van het kind
  2. Na de geboorte van het kind bepaalt de rechtbank wie de voogd over het kind zal zijn en welk bedrag de verkrachter aan deze voogd moet betalen voor het onderhoud van het kind.
  3. Tenzij een dergelijk kind gehandicapt is, is dit bedrag verschuldigd in het geval van een zoon tot de leeftijd van 21 jaar en in het geval van een dochter tot haar huwelijk en in het geval van een gehandicapt kind totdat dit kind in staat is zichzelf te onderhouden.

Sectie 376 van het Wetboek van Strafrecht schrijft twee jaar gevangenisstraf voor, of een boete, of beide, voor de verkrachting van een vrouw door haar echtgenoot. Sectie 342 vereist echter dat een vrouw onmiddellijk na een verkrachting een medisch onderzoek ondergaat, wat in de praktijk de kans op een veroordeling minimaliseert.

De Wet op de preventie van repressie van vrouwen en kinderen van 2003 (Nari O Shishu Nirjatan Domon Ain van 2003) De wet gebruikt en definieert voor het eerst de termen seksueel misbruik en seksuele intimidatie. Artikel 10 stelt dat als een man, om zijn vleselijke verlangens te bevredigen, de seksuele of andere organen van een vrouw of kind aanraakt met een orgaan van zijn lichaam of met enig ander voorwerp, zijn actie zal neerkomen op seksueel misbruik of misbruik van de bescheidenheid van een vrouw of het maken van een onfatsoenlijk gebaar, zal zijn daad worden beschouwd als seksuele intimidatie en hiervoor zal deze man worden gestraft met een strenge gevangenisstraf voor een termijn die kan oplopen tot tien jaar, maar niet minder dan drie jaar en zal daarnaast ook nog een boete krijgen.

Er kan verwarring ontstaan ​​in gevallen waarin hetzelfde strafbare feit in meerdere bestaande wetten wordt geregeld. Zuurdelicten vallen onder de Acid Crimes Prevention Act 2002, maar de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht 1860 en de Wet ter voorkoming van vrouwen- en kinderrepressie van 2000 met betrekking tot hetzelfde misdrijf zijn niet weggelaten en dit kan verwarring scheppen over welke rechtbank of tribunaal of onder welk recht de zaak moet worden ingesteld. Hoewel deze als bijzondere wet voorrang hebben, en de wetten zelf dit aangeven, blijft de verwarring bestaan ​​en had deze opgehelderd moeten worden. Hetzelfde probleem kan zich voordoen in het geval van verkrachting, die zowel onder de Code als de Wet van 2000 valt.

Zuur geweld en de Zure Misdrijven Preventie Tribunaal: In Bangladesh is zuurgeweld een afschuwelijke en wraakzuchtige vorm van misdaad die vooral tegen vrouwen wordt gepleegd. Het is een belangrijk onderwerp van nationaal belang en wordt het hele jaar door regelmatig gerapporteerd door de media. Zuur geweld is een terreur die in geen enkele beschaafde samenleving mag worden gevolgd. Vóór de onafhankelijkheid was zuurgeweld vrijwel onbekend in Bangladesh. Sectie 4 van de Acid Crime Act, 2002 schrijft de doodstraf of levenslange gevangenisstraf voor, inclusief boete taka van niet meer dan één lakh als een lichaam de dood veroorzaakt of een poging doet om een ​​kind of vrouw te doden door het gebruik van een brandende substantie, bijv. zuur. invoer, productie, opslag, verkoop of gebruik van zuur zonder vergunning is strafbaar. Maar de overheersende mechanismen om de invoer, bereiding en verkoop van het zuur dat bij deze aanvallen wordt gebruikt te reguleren, zijn ontoereikend. De Acid Control Act, 2002, voorziet echter in de vorming van een nationale raad om het gebruik, de productie, de invoer, het transport en de opslag van zuur te controleren.

De Acid Crimes Prevention Act 2002 bevat bepalingen met betrekking tot procesprocedures, onderzoek naar strafbare feiten en nalatigheid van opsporingsambtenaren, medisch onderzoek, enzovoort. De Acid Crimes Prevention Act 2002 stelt een Acid Crimes Prevention Tribunaal in en alle strafbare feiten op grond van de Act moeten door dit Tribunaal worden berecht. Beroep tegen een bevel, vonnis of straf opgelegd door het Tribunaal moet binnen 60 dagen worden ingediend bij de High Court. Artikel 28 bevat ook de voorziening voor veilige bewaring van een persoon tijdens de voortzetting van het proces en specificeert dat deze bewaring buiten de gevangenis en op bevel van het Tribunaal zal plaatsvinden.

Multisectoraal programma over geweld tegen vrouwen:

Er is een multisectoraal project over geweld tegen vrouwen, waarvan vijf ministeries deel uitmaken, waaronder de Women and Children Affairs (MOWCA), die als doel heeft de misdaad tegen vrouwen uit te bannen of op zijn best te verminderen.De belangrijkste activiteiten omvatten de oprichting van zes One Stop Crisis Centres (OCC) voor slachtoffers van geweld die de medische, juridische en sociale diensten zullen verbeteren van forensische faciliteiten met informatiecampagnes over DNA-profilering, trainingsplannen voor politie, advocaten, justitie en medisch personeel.

De doelstellingen van dit programma zijn: verbeterde openbare diensten zoals gezondheidszorg, politiebijstand, strafrechtelijke en sociale diensten (counseling, rehabilitatie) voor de vrouwelijke slachtoffers van geweld, een groter publiek bewustzijn over alle vormen van VAW, enz.

Activiteit OCC-BNWLA gezamenlijk juridisch ondersteuningsprogramma: Dit is een stroombeschrijving hoe BNWLA werkt op activiteitenniveau onder het OCC-programma. De activiteiten van de BNWLA Advocaten kunnen als volgt worden gecategoriseerd: Zodra een patiënt wordt opgenomen in het OCC-centrum, nemen de advocaten van BNWLA de geschiedenis van de overlevenden en het incident op, die onmiddellijk worden geregistreerd. In overleg met de dienstdoende arts over de ernst van het incident en het letsel praten de respectievelijke advocaten met de dienstdoende politieagent. Op basis van de informatie die is verzameld bij de verantwoordelijke functionarissen besluiten de advocaten om met toestemming van de overlevenden een GD of FIR in te dienen. Dit gingen de advocaten voor juridische begeleiding om de overlevenden te laten begrijpen dat ze juridische ondersteuning kan krijgen.

Zorgen voor juridische ondersteuning: na het indienen van de zaak haalt de advocaat een kopie van de FIR op en Vokalatnama met het teken van de overlevenden en op kantoor moeten ze het bestelformulier opstellen en in het register worden ingeschreven. Komt het vonnis in het nadeel van de Nabestaanden, dan gaan de advocaten volgens de procedure in beroep tegen het vonnis bij de Hoge Raad.

Het geweld tegen vrouwen neemt toe en geeft in het algemeen aan dat het aantal verschillende misdaden tegen vrouwen zo hoog is dat het tijd is om maatregelen te nemen om deze uit te bannen. Het is duidelijk dat de noodzaak van het uur is om vrouwen te beschermen tegen geweld door middel van de wet. De hele kwestie van geweld tegen vrouwen projecteerde niet de gebreken in het strafrechtsysteem of wat we nog meer nodig hebben, om het systeem effectief te maken door vrouwen de juiste gerechtigheid te geven, aangezien gerechtigheid wordt ontzegd.

Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW): De sterkste instrumenten van verandering in de samenleving zijn de wetten waardoor deze wordt beheerst. Er zijn bestaande wetten in het land, die veel rechten voor vrouwen garanderen. Maar velen van hen zijn archaïsch en moeten onmiddellijk worden hervormd of gewijzigd. Discriminerende wetten moeten worden afgeschaft en vervangen door meer progressieve wetten. Er moeten nieuwe wetten worden opgesteld om de instemming van Bangladesh met internationale wetten zoals de Universele Verklaring van Rechten en CEDAW te weerspiegelen. Hoewel religie en cultuur moeten worden gerespecteerd, moeten schendingen van fundamentele mensenrechten in naam van religie of traditie categorisch worden veroordeeld en gemeden door de wetten van het land. Het belangrijkste is dat wetten die zowel de openbare als de persoonlijke sfeer beheersen, verenigbaar moeten zijn met de grondwettelijke wetten en gelijkelijk van toepassing moeten zijn op alle burgers, ongeacht geslacht, religie of de gemeenschap waartoe ze behoren.

Het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW) werd op 19 december 1979 aangenomen en trad op 3 september 1981 in werking als verdrag nadat het door twintig landen was geratificeerd. Ratificatie verplicht regeringen om een ​​beleid te voeren om discriminatie van vrouwen uit te bannen en om verslag uit te brengen over de voortgang in die inspanning aan het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie. Artikel 1 van het Verdrag definieert discriminatie als:

‘Elk onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, dat tot gevolg heeft of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door vrouwen, ongeacht hun burgerlijke staat, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen te belemmeren of teniet te doen, van mensenrechten en fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal, cultureel, burgerlijk of enig ander gebied.’

Op grond van artikel 2 zijn staten verplicht het CEDAW in eigen land af te dwingen, passende wetgeving en andere maatregelen aan te nemen om alle discriminatie van vrouwen te verbieden, bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken die dergelijke discriminatie inhouden, te wijzigen of af te schaffen.

Andere artikelen van het Verdrag gaan over veel van de dringende kwesties die vrouwen betreffen, zoals het recht van vrouwen om de nationaliteit van zichzelf en die van hun kinderen te bepalen en de opheffing van discriminatie op het gebied van onderwijs, werk, gezondheidszorg, sociale en economische uitkeringen.
Deel IV van het CEDAW roept op tot gelijkheid voor de wet en gelijkheid binnen het huwelijks- en familierecht. Artikelen onder deze component garanderen bijvoorbeeld dezelfde rechtsbevoegdheid als mannen om contracten aan te gaan, eigendommen te beheren, voor rechtbanken of tribunalen te verschijnen bewegingsvrijheid het recht om te kiezen waar ze zullen wonen gelijke rechten en verantwoordelijkheden van vrouwen met mannen in het huwelijk het recht om te kiezen wanneer ze kinderen zullen krijgen, om hun familienaam of beroep te kiezen en gelijke rechten en verantwoordelijkheden met betrekking tot eigendom, beheer en vervreemding van eigendom.

Het goede nieuws is dat meer dan de helft van de wereldgemeenschap CEDAW heeft geratificeerd. Het slechte nieuws is dat een groot aantal landen'8211 168 staten' reserveringen hebben ingediend. Zeventien van deze landen hebben een meerderheid van de moslimbevolking en omvatten Bangladesh.
Bangladesh handhaaft voorbehouden bij de artikelen 2 en 13(a). In september 2000 was Bangladesh het eerste land dat het Facultatief Protocol bij het CEDAW ratificeerde, dat de implementatie van de instrumenten om discriminatie uit te bannen garandeert. Het handhaven van een dergelijk voorbehoud bij de belofte om dergelijke discriminatie uit te bannen is daarom tegenstrijdig en maakt de oprechtheid van de staat om discriminatie op grond van geslacht uit te bannen, twijfelachtig.

Hoofdstuk zeven

De ambiguïteit rond de kwestie van geweld tegen vrouwen in de Bengaalse samenleving enerzijds, wordt geweld verafschuwd en kan verontwaardiging veroorzaken. Zo werd een man die zuur opspoot en zijn nieuwe vrouw doodde vanwege haar ontoereikende bruidsschat, door dorpelingen in Noord-Bangladesh doodgehakt[2]. Aan de andere kant wordt geweld tegen vrouwen geaccepteerd, getolereerd en in bepaalde voorgeschreven vormen en contexten. het is gelegitimeerd. Genderongelijkheid, die leidt tot gendergeweld, is diep verankerd in de Bengaalse sociale structuur die alle Bengaalse sociale instellingen toestaan, en moedigen zelfs de demonstratie van ongelijke machtsverhoudingen tussen de seksen aan[3]. Door mannelijk geweld, met name mishandeling, te legitimeren, kan het worden gezien (zowel door vrouwen als door mannen), als een verdiende reactie op de overtreding van mannelijke eisen of controles door vrouwen. Zo voelen vrouwen schaamte en schuldgevoelens en in sommige gevallen woede, wat pleit tegen het melden van mishandeling. Moord, zuurgooien en ontvoering hebben mogelijk minder last van stigmatisering in de berichtgeving. Andere factoren die bijdragen aan de onderrapportage van geweld tegen vrouwen zijn onder meer: ​​het gebrek aan bewustzijn bij vrouwen van hun wettelijke rechten de perceptie dat hun zaken met spot zullen worden behandeld en/of genegeerd door de politie en de angst dat het indienen van een aanklacht de problemen zal verergeren met hun man en zijn familie. Verkrachting roept waarschijnlijk de grootste schaamtegevoelens op bij vrouwen en wordt daarom het meest waarschijnlijk ondergerapporteerd. Desalniettemin suggereert Jahan[4] dat de stijging van het aantal gerapporteerde misdrijven tegen vrouwen in Bangladesh een stijging kan zijn van het aantal meldingen van verkrachting, maar ook een stijging van het aantal gewelddaden tegen vrouwen en van het aandeel vrouwelijke slachtoffers van geweldsmisdrijven. Ze merkt op dat in 1980 12,4 procent van de slachtoffers van alle gemelde geweldsmisdrijven vrouw was, terwijl dat in 1984 was gestegen tot 32,7 procent. Een toename van de beschikbaarheid van wapens zoals geweren en zuur, en ook de toegenomen weergave van geweld in de massamedia in geïmporteerde films, als factoren die in verband kunnen worden gebracht met de toename van gewelddadige misdaden, waaronder die tegen vrouwen.

Het vermijden van vrouwenrechten is de voortdurende praktijk. Het is een sociale ziekte. Ons sociale systeem is niet onmoedig, de samenleving ontmoedigde vrouwen om hun rechten te vestigen. De staat vaardigt algemene en speciale wetgevingen uit en heeft handhavingsmechanismen om de rechten van vrouwen te beschermen, maar op verschillende manieren worden deze genegeerd, en de beschermende maatregelen schieten tekort. We moeten uit dit concept komen.

Hoofdstuk acht

Er is in ons land behoorlijk wat wetgeving over vrouwen. crisis van wetten en nadelen ook beschikbaar in de wet voor de vrouwen. Ons sociale denken en concept is ook ontmoedigend en negatief. In sommige gevallen krijgen vrouwen meer rechten dan mannen.

De juridische status van vrouwen geeft aan in hoeverre vrouwen gelijkheid genieten op sociaal-economisch en politiek gebied van het land. Wetten die de rechten van vrouwen beschermen, bieden het essentiële kader om formele gelijkheid om te zetten in realiteit. Ze bieden ook juridische bescherming aan de rechten van vrouwen door kritisch in te grijpen in de gezondheids-, onderwijs- en werkgelegenheidssectoren.

De grondwet van de Volksrepubliek Bangladesh is de ultieme bron van de fundamentele rechten die mannen en vrouwen genieten. Het dagelijkse leven van de mensen wordt echter beheerst door twee reeksen wetten: burgerlijk en persoonlijk. De burgerlijke wetten dekken de rechten van vrouwen volgens de grondwet, de persoonlijke wetten dekken het gezinsleven.

Een analyse van de relevante tekst van de grondwet toont aan dat de garanties van gelijke rechten tussen mannen en vrouwen zich niet uitstrekken tot de privésector (d.w.z. de erfenis van ouderlijk eigendom en zaken die het gezin betreffen). Bij de ratificatie van de UNCEDAW had de regering een voorbehoud gemaakt bij de bepalingen met betrekking tot gelijke rechten binnen het gezin. Dit is een scherpe afwijking van de toezegging van de regering om gendergelijkheid tot stand te brengen. De burgerlijke wetten worden verondersteld non-discriminatie tussen mannen en vrouwen te handhaven. Maar sommige van deze wetten zijn openlijk discriminerend voor vrouwen. De Citizenship Act van 1951 is een voorbeeld van dergelijke discriminatie. Deze wet maakt inbreuk op het recht van een vrouw om dezelfde wettelijke status te genieten als die van een man.

De strafwetten zijn niet gebaseerd op religieuze wetten. Toch slagen deze wetten er in sommige gevallen niet in om non-discriminatie tussen mannen en vrouwen te handhaven. Volgens de bestaande strafwetten wordt verkrachting gedefinieerd als een daad van seksueel geweld, maar het bewijzen van beschuldigingen van verkrachting is voor een vrouw erg moeilijk gemaakt, aangezien de bewijsregels vereisen dat het slachtoffer de daad en haar gebrek aan kennis medisch moet bewijzen. toestemming. Het slachtoffer en de beschuldigde zijn gelijkgesteld omdat de wet vereist dat de getuigenis van het slachtoffer wordt bevestigd.

De grondwet garandeert non-discriminatie en volledige toepassing van de bestaande arbeidswetten in de industriële sector. Vrouwelijke arbeiders krijgen nauwelijks bescherming door deze wetten. Een wijdverbreide veronachtzaming van de bestaande arbeidswetgeving is eerder regel dan uitzondering. Bestaande praktijken in industriële werkplaatsen stellen het management in staat om zijn wettelijke verplichtingen te omzeilen. Bij voorkeur aanwerven van ongehuwde vrouwen en het verlengen van de proeftijd van werknemers na de wettelijke periode ontneemt veel vrouwelijke werknemers hun legitieme/wettelijke rechten.

Ondanks een snelle toename van het aantal vrouwelijke werknemers in de informele sector, zijn hun rechten niet wettelijk beschermd.

Er bestaat een grote kloof tussen de rechten en status van vrouwen die worden gegarandeerd door de grondwet en die welke haar worden opgelegd door sociale normen en praktijken die worden weerspiegeld in persoonlijke wetten. De familiewetten zijn gebaseerd op persoonlijke wetten van de respectieve religieuze gemeenschap waarin een persoon is geboren. Zo bestaan ​​burgerlijk recht en persoonlijk recht naast elkaar, waardoor de verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot huwelijk, echtscheiding, voogdij, voogdij over kinderen en erfenis in stand worden gehouden.

Volgens de moslimwet is het huwelijk een contract tussen twee individuen en om het geldig te maken is de toestemming van beide partners in aanwezigheid van twee getuigen essentieel. Met betrekking tot kindhuwelijken bepaalt de wet dat als een meisje tijdens de kindertijd door haar ouders wordt uitgehuwelijkt, het huwelijk door het meisje moet worden bekrachtigd of ontbonden zodra zij de puberteit bereikt. In een poging om kindhuwelijken aan banden te leggen, verhoogde de Child Marriage Restraint Act 1929 (gewijzigd in 1984) de minimumleeftijd voor het huwelijk voor zowel vrouwen als mannen. De wijziging van 1984 stelde de minimumleeftijd vast op 18 jaar voor vrouwen en 21 jaar voor mannen. Maar wijdverbreide overtredingen van deze wet bewijzen dat de handhaving ervan erg zwak is, en er is nauwelijks vervolging voor enige overtreding van deze wet. Hoewel de wet voorziet in straf in geval van overtreding, bevat de wet geen bepaling om dergelijke huwelijken ongeldig te maken. Beperkte polygamie is toegestaan ​​in de islam waar het een man is toegestaan ​​om met maximaal vier vrouwen tegelijk te trouwen op voorwaarde dat: (a) de man de middelen heeft om de vrouwen te onderhouden volgens hun status en (b) alle vrouwen gelijk worden gegeven deel van zijn liefde en genegenheid en worden door hem met volledige gelijkheid behandeld. Maar bij gebrek aan enig mechanisme om deze richtlijnen af ​​te dwingen, worden de oudere vrouwen over het algemeen het slachtoffer van de wreedheid en verwaarlozing van de echtgenoot.

In een poging deze vrouwen te beschermen, verbiedt de Familieverordening 1961 een man om een ​​huwelijk aan te gaan tijdens het bestaan ​​van een bestaand huwelijk zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Raad van Arbitrage en de echtgenote(s). De straf bestaat in de onmiddellijke betaling van de volledige bruidsschat of mahr (een vast bedrag dat overeengekomen is om door de man aan de vrouw te worden betaald). prompt bruidsschat is onmiddellijk opeisbaar aan de echtgenote en uitgestelde bruidsschat wordt betaald bij ontbinding van het huwelijk. De straf omvat ook een gevangenisstraf tot een jaar of een boete van Tk 5000,00 of beide. De verordening bevat echter geen bepaling om het daaropvolgende huwelijk onwettig te maken. Volgens de islamitische wet kan echtscheiding op een van de volgende manieren worden bereikt: (a) wederzijdse instemming van de man en de vrouw zonder tussenkomst van de rechtbank (b) een gerechtelijk bevel op verzoek van de vrouw op een of meer gronden die in de ontbinding zijn gespecificeerd van de Muslim Marriage Act 1939 en de Muslim Family Law's Ordinance 1961 en (c) echtscheiding door de echtgenoot naar believen zonder opgave van enige reden.

Echter, het recht van talak (echtscheiding), waarbij een huwelijk onherroepelijk en onmiddellijk wordt ontbonden door simpelweg de intentie uit te spreken in het bijzijn van getuigen, is gewijzigd door de islamitische familiewetverordening, 1961. Volgens de te volgen procedure, talak wordt niet onmiddellijk van kracht. Er zou een periode van 90 dagen moeten zitten tussen de datum van betekening van de kennisgeving aan de voorzitter van Union Parishad (het laagste niveau van het lokale overheidssysteem in Bangladesh) en de datum waarop de echtscheiding van kracht wordt.

Het recht om naar believen te scheiden wordt niet genoten door een moslimvrouw, tenzij haar man haar dit recht verleent in de huwelijksakte (kabin) geregistreerd door de moslimhuwelijksregistratie. Ze kan echter een echtscheiding verkrijgen via een gerechtelijk bevel, wat een onzeker, langdurig en kostbaar proces is met ingewikkelde procedures. Ondanks de wettelijke hervormingen bestaat er nog steeds discriminatie op grond van geslacht op het gebied van huwelijk en echtscheiding.

Volgens de moslimwet erft de vrouw een vast deel van een achtste van de nalatenschap van de overleden echtgenoot als hij agnatische nakomelingen achterlaat. Als hij geen agnatische nakomelingen achterlaat, erft de vrouw een kwart van de nalatenschap van de man.

Een dochter, die enig kind is, erft de helft van de nalatenschap van haar overleden vader of moeder. Is er meer dan één dochter en geen zoon, dan erven de dochters samen tweederde van de nalatenschap. Als er echter een zoon (of zonen) is, is het aandeel van de dochter of elk van de dochters gelijk aan de helft van het aandeel van de zoon of de helft van het aandeel van de zoon. In alle gevallen binnen het gezin erven mannen meer dan de vrouwen. Dus, ook op het gebied van erfrecht, blijven de persoonlijke wetten grof discriminerend naar geslacht.

Volgens de islamitische wet heeft de moeder nooit recht op voogdij over haar kinderen. Het ligt bij de vader en na hem, bij zijn vader en broers. De moeder heeft echter recht op de zorg en het gezag over haar zonen tot ze zeven jaar oud zijn en over haar dochters tot de puberteit.

De wetten, zoals gewijzigd door de Guardian and Wards Act van 1890, stellen dat het welzijn van de kinderen belangrijker is dan de rechten van de ouders. Een moeder kan haar kinderen ook ouder krijgen dan de gespecificeerde leeftijden als de rechtbank van oordeel is dat de vader niet goed voor hen zou zorgen. De moeder kan ook de voogdij over de kinderen aanvragen bij de rechtbank. Maar het gaat om dure en tijdrovende procedures over een lange periode. De vader kan onder bepaalde omstandigheden over de goederen van het kind beschikken, maar de moeder kan dit niet doen zonder voorafgaande toestemming van de rechtbank, zelfs niet als zij de aangewezen voogd van het kind is. Een moslimmoeder heeft recht op alimentatie van haar zoon als hij financieel solvabel is (The Muslim Family Laws Ordinance, 1961).

De bestaande wet vereist dat elk moslimhuwelijk dat wordt gesloten, moet worden geregistreerd. Er is ook een wet uitgevaardigd met de titel ‘Marriage and Divorce Registration Act, 1974. Maar zelfs een terloopse observatie op het platteland laat zien dat een overgrote meerderheid van de huwelijken niet geregistreerd is.

Nogmaals, ondanks het bestaan ​​van een wet om kindhuwelijken aan banden te leggen, worden de meisjes ruim onder de minimumleeftijd van 18 jaar uitgehuwelijkt. Het is echter moeilijk om deze wet te handhaven vanwege het ontbreken van geboorteregistratie in Bangladesh, met name in de landelijke gebieden. Hoewel de religie voorzieningen heeft getroffen voor een bruidsschat (een bedrag dat aan de vrouw moet worden betaald), wordt de betaling zelden gedaan. Het genootschap heeft voorzieningen getroffen voor bruidsschatten (geld, sieraden en luxeartikelen die door de voogden van de bruid bij het huwelijk worden aangeboden), en het is een traditie geworden. Het niet betalen van de bruidsschat brengt vaker wel dan niet rampspoed in het leven van veel vrouwen.

Als reactie op de eisen van vrouwenorganisaties om bestaande wetten te wijzigen en/of nieuwe wetten in te voeren om de rechtspositie van vrouwen te verbeteren, heeft de regering van tijd tot tijd bestaande wetten gewijzigd en nieuwe aangenomen. Deze omvatten: (1) de toepassingswet van de moslimpersoonlijke wet (sharia) van 1937 (2) de wet op de ontbinding van moslimhuwelijken 1939 (3) de verordening van de moslimfamiliewet 1961 (gewijzigd in 1986) (4) de regels van de moslimfamiliewet 1961 ( 5) De islamitische huwelijken en echtscheidingen registratiewet 1974 (6) De moslimhuwelijken en echtscheidingen registratieregels 1975 (7) De ontbinding van moslimhuwelijken wet 1939 (8) De familierechtbankverordening 1985 (9) De familierechtbankregels 1985 (10) Het Bangladesh Strafwetboek 1860 (11) The Evidence Act 1872 (12) The Civil Procedure Code 1903 (13) The Criminal Law Amendment Act 1938 (14) The Suppression of Immoral Act 1933 (15) The Dowry Prohibition Act 1980 (16) The Wreedheid tegen vrouwen (afschrikkende straf) Act 1983 (17) The Woman and Child Onderpression (Special Provision) Act 1995 en (18) Maternity Benefits Act 1939.

Hoewel de burgerlijke wetten van toepassing zijn op de hindoegemeenschap, worden huwelijken, echtscheidingen, erfenissen en voogdij, die betrekking hebben op de privésfeer, beheerst door de hindoeïstische persoonlijke wetten. Deze wetten zijn sinds 1947 (het jaar van de deling van het subcontinent) ongewijzigd gebleven.

In de hindoeïstische religie is het huwelijk een sacrament, geen contract. De belangrijkste plicht van een hindoe-vader is om haar dochters uit te huwelijken. De toestemming van het meisje in het huwelijk is niet vereist, noch is echtscheiding mogelijk en onbeperkte polygamie is toegestaan. De vader is altijd de bevoorrechte voogd van zijn kinderen, terwijl de moeder de voogd kan zijn, haar rechten zijn inferieur aan die van de vader. Niet alle dochters van een man komen in gelijke mate in aanmerking om te erven. In volgorde van prioriteit kunnen ongehuwde dochters en getrouwde dochters met zonen erven. Getrouwde dochters die de vruchtbare leeftijd hebben overschreden en weduwen zonder zonen kunnen niet erven. De hindoewetten staan ​​adoptie toe, maar alleen van jongens.

De wetten voor de christelijke gemeenschappen zijn in veel gevallen gendervooringenomen en controversieel volgens de grondwet en mensenrechten. Recht op echtscheiding, recht op alimentatie en onderhoudsrechten zijn grotendeels genderdiscriminerend. Het moet worden overwonnen door nieuwe wetgeving en deze effectief maken. Er is geen persoonlijke wet voor de tribale, boeddhistische en sommige andere religieuze gemeenschappen in ons land. Hier is een brede vraag naar.

Om de rechten van vrouwen te beschermen, om effectieve wetten te maken met betrekking tot vrouwen in ons land, moet het gezag van de staat de nadelen van de wetgeving ontdekken en deze indien nodig wijzigen, of er zullen nieuwe wetgevingen worden uitgevaardigd voor de specifieke kwesties. Als lid van de samenleving moeten we ons traditionele negatieve concept en onze praktijk veranderen en de vrouwen aanmoedigen om hun rechten te beschermen om de wetten van vrouwen succesvol te maken.

Hoofdstuk negen

De rechtspositie van vrouwen is een geïsoleerd recht en praktijk in ons land. Soms krijgen vrouwen meer rechten dan mannen. Het geweld tegen vrouwen neemt toe en geeft in het algemeen aan dat het aantal verschillende misdaden tegen vrouwen zo hoog is dat het tijd is om maatregelen te nemen om deze uit te bannen. Het is duidelijk dat de noodzaak van het uur is om vrouwen te beschermen tegen geweld door middel van de wet. De hele kwestie van geweld tegen vrouwen projecteerde niet de gebreken in het strafrechtsysteem of wat we nog meer nodig hebben, om het systeem effectief te maken door vrouwen de juiste gerechtigheid te geven, aangezien gerechtigheid wordt ontzegd.

Geweld tegen vrouwen is een fenomeen dat veel ouder is dan het mensenrechtenconcept. Het is een van de belangrijkste uitingen van genderdiscriminatie, een essentieel resultaat van het bestaande patriarchale sociale systeem. Het massaal verspreiden van geweld tegen vrouwen heeft geleid tot het internationale mensenrechtenkader. Er is een broodnodige duidelijkheid gekomen over het begrip van mensenrechten. Dit heeft de kansen op bescherming van de mensenrechten van vrouwen over de hele wereld vergroot.

De onderliggende marginalisering van vrouwen in politieke besluitvorming en schending van hun recht op vrijheid van geweld zijn gevolgen van de algemene aanvaarding van ongelijkheid en sociale tolerantie van geweld tegen vrouwen. Bangladesh heeft zich gecommitteerd aan verschillende internationale verdragen, zoals de Verklaring over geweld (Wenen 1993) en CEDAW (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination Against Women) 38 . Deze toezeggingen worden weerspiegeld in het Nationaal beleid voor de vooruitgang van vrouwen (1997). Bij het omgaan met de steeds alarmerende situatie van geweld tegen vrouwen lijkt elke opeenvolgende regering zich echter zorgen te maken over het aannemen van wetten en het aanscherpen van de wettelijke bepalingen, terwijl er weinig aandacht wordt besteed aan het feit dat wetten niet worden gehandhaafd, procedures ongepast blijven en de daders van geweld genieten vaak politieke straffeloosheid. De vrouwenbeweging heeft deze problemen voortdurend onder de aandacht gebracht en is doorgegaan met het eisen van holistische maatregelen voor bestuurlijke hervormingen en maatregelen om ongelijke toegang tot politieke macht, discriminatie en geweld tegen vrouwen uit te bannen. Blijkbaar hebben we effectieve maatregelen genomen om de rechten en belangen van de vrouw in zijn geheel te beschermen voor onze duurzame ontwikkeling.

Bibliografie

  1. Ali S. Onderzoek op het gebied van kinder- en vrouwenhandel. Dhaka: Bangladesh National Women Lawyers' Association, 1997.
  2. Amin S, Diamond I, Naved RT, Newby M. Overgang naar volwassenheid van vrouwelijke kledingfabrieksarbeiders in Bangladesh. Stoeterij Plann 1998.
  3. Ali S. Kinderhandel en hun commerciële seksuele uitbuiting in prostitutie en andere onaanvaardbare vormen van kinderarbeid in Bangladesh: landenrapport. Dhaka: Bangladesh National Women Lawyers' Association, 1998.
  4. Archvantikul K. Kinderhandel voor arbeidsuitbuiting, inclusief kinderprostitutie in de subregio Mekong. Bangkok: Instituut voor Bevolking en Sociaal Onderzoek, Mahidol University, 1998.
  5. Acharya UD. Kinderhandel en hun uitbuiting in prostitutie en andere ontoelaatbare vormen van kinderarbeid in Nepal: landenrapport. Katmandu, 1998.
  6. Ali AKMM, Ali AKMM, Sarkar R. Misplaatste jeugd: een onderzoek naar straatkinderprostituees in de stad Dhaka. Dhaka: Initiatief voor geïntegreerde gemeenschap en industriële ontwikkeling, 1997.
  7. Vereniging voor Gemeenschapsontwikkeling. Prostituee/commerciële sekswerkers en illegaal gemigreerde vrouwen: twee afzonderlijke onderzoeken. Rajshahi: Vereniging voor gemeenschapsontwikkeling, Bangladesh, 1997.
  8. Bennett T. Preventie van vrouwen- en kinderhandel in Azië: problemen en opties. Impact op hiv 1999.
  9. Bangladesh National Women Lawyers' Association. Speciaal bulletin. Dhaka: Bangladesh National Women Lawyers' Association, 1998.
  10. Bangladesh. Ministerie van Vrouwen- en Kinderzaken. Project Proforma (PP), Ontwikkeling van kinderen: gecoördineerd programma ter bestrijding van kinderhandel (pilotproject). Dhaka: Ministerie van Vrouwen- en Kinderzaken, regering van Bangladesh, 2000.
  11. Bhattacharjya M. Mensenhandel in Zuid-Azië: een workshop over conceptuele duidelijkheid. New Delhi: Jagori, 1998.
  12. Bureau voor de Statistiek van Bangladesh. Statistisch jaarboek van Bangladesh (19e ed.). Dhaka: Bureau voor de Statistiek van Bangladesh, 1998.
  13. Bureau voor de Statistiek van Bangladesh. Statistische portemonnee. Dhaka: Bureau voor de Statistiek van Bangladesh, 1997.
  14. DF Mulla, Principes van de Mohamedaanse wet, 17e druk.
  15. Decosas J. HIV en ontwikkeling. AIDS 1996.
  16. Fazlur Rahman – Islam P. 39 geciteerd in Legal Status of Women in Bangladesh door Salma Sobhan.
  17. Regering van de Volksrepubliek Bangladesh, Ministerie van Planning, Planningscommissie, Het eerste vijfjarenplan 1997-2002, comp.
  18. Gupta TD. Voorlopig overzicht van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die betrokken zijn bij de bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen en vrouwen. Dhaka: actie tegen mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen, Bangladesh Chapter, 2000.
  19. Heise L, Moore K, Toubia N. Seksuele dwang en reproductieve gezondheid: een focus op onderzoek. New York: Bevolkingsraad, 1995.
  20. Islam N. Menselijke nederzettingen en stedelijke ontwikkeling in Bangladesh. Dhaka: Universiteit van Dhaka, 1998.
  21. Islam N, Nazem NI. Verstedelijking en stedelijke groei en beleid. In: Ialam N, redacteur. De stedelijke armen in Bangladesh. Dhaka: Centrum voor Stedelijke Studies, Universiteit van Dhaka, 1995.
  22. Initiatief voor geïntegreerde gemeenschap en industriële ontwikkeling. Onderzoek naar de sociaal-economische dimensies van de handel in meisjeskinderen. Dhaka: Initiatief voor geïntegreerde gemeenschap en industriële ontwikkeling (ongedateerd).
  23. Joardar B. Prostitutie in de negentiende en vroege twintigste eeuw in Calcutta. New Delhi: Inter-India Publications, 1985.
  24. Jordar B. Prostitutie in historisch en modern perspectief. New Delhi: Inter-India Publications, 1984.
  25. Khan MR. Situatieanalyse van de handel in vrouwen en kinderen in Bangladesh. Shishu Angina. Dhaka: Child and Women Development Center (ongedateerd).
  26. Khan ZR, Arefeen HK. Rapport over prostitutie in Bangladesh. Dhaka: Centrum voor Sociale Studies, Universiteit van Dhaka, 1989-1990.
  27. Khan ZR, Arefeen HK. Potita nari–a onderzoek naar prostitutie in Bangladesh. Dhaka: Centrum voor Sociale Studies, Universiteit van Dhaka, 1988.
  28. Mustag Ahmed versus Mahmud Amin P.L.D. 62. Karachi 442 geciteerd in Women's Legal Status in Bangladesh door Sufia Ahmed en Jahanara Choudhurry.
  29. Morris J. Achter de sluier: het veranderende gezicht van vrouwen in Bangladesh. Slant: School of International and Public Affairs, Columbia University, 1997. URL: http://www.columbia.edu/cu/sipa/PUBS/SLANT/SPRING97/morris.html.
  30. Mukherjee S. Geschiedenis van prostitutie in India. Calcutta, 1936.
  31. Mitra SN, Ahmed Al-sabir, Cross AR, Jamil K. Bangladesh demografische en gezondheidsenquête 1996-1997. Dhaka: Nationaal Instituut voor Bevolkingsonderzoek en -opleiding, 1997.
  32. Khaled Rashid, moslimwet, derde ed.
  33. Obaidul Huq Chowdhury, Handboek over islamitische familiewetten, de Dhaka Law Reports, vijfde editie 1997.
  34. Beleidsonderzoek voor ontwikkeling Alternatief. Onderzoeksmissies over de handel in vrouwen en kinderen van Bangladesh tot India en Pakistan. Dhaka: Narigrantha Prabartana, 1999.
  35. Rahman A. Ramp en ontwikkeling: een onderzoek naar institutionele opbouw in Bangladesh. In: Hossain H, Dodge CP, Abed FH, redactie. Van crisis naar ontwikkeling: omgaan met rampen in Bangladesh. Dhaka: University Press Ltd., 1992.
  36. Onderzoeksevaluatiemedewerkers voor ontwikkeling. Behoefteonderzoek onder de kansarme vrouwen en kinderen in de stedelijke gebieden van Bangladesh. Dhaka: Bezorgd Bangladesh, 2000.
  37. Rajbhandari R, Rajbhandari B. Meisjeshandel: het verborgen verdriet in Himalaya. Nepal: WOREC, 1997.
  38. Richard P. Empowerment, mobilisatie van de gemeenschap en sociale verandering in het licht van HIV/AIDS. AIDS 1996.
  39. Shamim I, Kabir F. Kinderhandel: de onderliggende dynamiek. Dhaka: Centrum voor Vrouwen- en Kinderstudies, 1998.
  40. Shamim I. Kinderhandel en -verkoop. Rapport ingediend bij het Bangladesh Shisu Adhikar Forum als onderdeel van het project van casestudies over kindermishandeling, uitbuiting en onderdrukking. Dhaka: Centrum voor Vrouwen- en Kinderstudies, 1993.
  41. Shamim I. Mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen: Bangladesh perspectief. Grensoverschrijdende workshop ter bestrijding van mensenhandel, 16-18 november, Siliguri, Centrum voor Vrouwen- en Kinderstudies, 1998.
  42. Shamim I, redacteur. Proceedings van de fact-finding Meeting en de National Workshop on Trafficking in Women and Children. Dhaka: Centrum voor Vrouwen- en Kinderstudies, 1997.
  43. Statistieken over mensenhandel en prostitutie in Azië en de Stille Oceaan. Coalitie tegen vrouwenhandel. URL: http://www.mmediasol.com/ projects99/catwap facts.htm.
  44. Salma Sobhan – Juridische status van voortekenen in Bangladesh, Bangladesh Institute of Law and International Affairs, Dhaka 1978.
  45. Mensenhandel van vrouwen en kinderen in Bangladesh, een overzicht, Rukhsana Gazi, Ziaul Haque Chowdhury, SM Nurul Alam, Elma Chowdhury, Faiz Ahmed en Suraiya Begum. ICDDR,B: Centrum voor Gezondheids- en Bevolkingsonderzoek.
  46. Von Sturensee V. Geglobaliseerde, bedrade, sekshandel in vrouwen en kinderen: een wereldwijde, ontmenselijkende, epidemie van armoede, ziekte, corruptie, samenwerking, misdaad, geweld, moord, slavernij en de waardering van ongekende winsten ten koste van de menselijke waardigheid, fatsoen en de rechtsstaat. Massachusetts: Brandeis University, 1997.
  47. Women's Publishing House en Media Resource Organization. Inspanningen om vrouwen- en meisjeshandel te voorkomen: een voorstudie voor media-activisme. Katmandu: ASMITA, 1998.
  48. De juridische status van vrouwen in Bangladesh door Sufia Ahmed en Jahanara Choudhyry, gepubliceerd in Situation of Women in angladesh, Women for Women 1979.
  49. Geweld tegen vrouwen.

[1] Professor dr. Taslima Monsoor, Gerechtigheid vertraagd is gerechtigheid ontkend , Vrouwen en geweld in Bangladesh

[3] Akanda en Jahan, 1983, Vrouwen voor vrouwen: verzamelde artikelen,

[4] Akanda en Jahan, 1983, Vrouwen voor vrouwen: verzamelde artikelen,

Vrouwen voor vrouwen, Dhaka.page:203.

Vrijwaring:

De informatie op deze website is opgesteld voor educatieve doeleinden. Deze site kan worden gebruikt door de studenten, faculteiten, onafhankelijke leerlingen en de geleerde pleitbezorgers van over de hele wereld. Onderzoekers over de hele wereld hebben de toegang om hun schrijven op deze site te uploaden. Met het oog op de deelname van mensen aan de webpagina, ontslaat het individu, de groep, de organisatie, het bedrijf, de toeschouwer of iets anders hierbij de Advocaten & Juristen, en haar functionarissen, bestuur en werknemers, gezamenlijk en hoofdelijk van enige en alle acties, oorzaken van acties, claims en eisen voor, op of vanwege enige schade, verlies of letsel, die hierna kan worden opgelopen door deel te nemen aan hun werk op de webpagina. Deze vrijwaring strekt zich uit tot en is van toepassing op, en dekt ook en omvat, alle onbekende, onvoorziene, onverwachte en onverwachte verwondingen, schade, verlies en aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan, evenals die welke nu bekend zijn en waarvan bekend is dat ze bestaan. De bepalingen van enige staatswet die inhoud geven dat vrijgaven zich niet uitstrekken tot vorderingen, eisen, verwondingen of schade waarvan bekend is of niet wordt vermoed dat ze op dit moment bestaan, aan de persoon die een dergelijke vrijgave uitvoert, wordt hierbij uitdrukkelijk afstand gedaan. De Lawyers & Jurists geeft echter geen expliciete of impliciete garantie of aanvaardt enige wettelijke aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid voor de nauwkeurigheid, volledigheid of bruikbaarheid van enige informatie, apparatuur, product of proces dat wordt onthuld of vertegenwoordigt dat het gebruik ervan geen inbreuk zou maken op privé-eigendomsrechten. Verwijzing hierin naar een specifiek commercieel productproces of -service door handelsnaam, handelsmerk, fabrikant of anderszins, houdt niet noodzakelijkerwijs de goedkeuring, aanbeveling of begunstiging ervan door de Advocaten & Juristen in. De standpunten en meningen van de auteurs die op de website worden uitgedrukt, geven niet noodzakelijkerwijs die van de advocaten en juristen weer. Bovenal, als er een klacht wordt ingediend door een onafhankelijke gebruiker bij de beheerder voor de inhoud van deze site, zullen de Advocaten & Juristen deze onmiddellijk van hun site verwijderen.


Bekijk de video: Waarom Internationaal en Europees recht studeren? (Mei 2022).