Het verhaal

Persvrijheid


Persvrijheid - het recht om nieuws te rapporteren of meningen te verspreiden zonder censuur van de overheid - werd door de Founding Fathers van de Verenigde Staten beschouwd als "een van de grote bolwerken van vrijheid". Amerikanen genieten van persvrijheid als een van de rechten die worden gegarandeerd door het Eerste Amendement. Nieuwe technologieën hebben echter geleid tot nieuwe uitdagingen voor de mediavrijheid.

Het eerste amendement, dat de persvrijheid beschermt, werd op 15 december 1791 aangenomen als onderdeel van de Bill of Rights.

De Bill of Rights biedt grondwettelijke bescherming voor bepaalde individuele vrijheden, waaronder persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en het recht om samen te komen en een verzoekschrift in te dienen bij de regering.

Oorsprong van de vrije pers

Voordat de dertien koloniën zich onafhankelijk verklaarden van Groot-Brittannië, probeerde de Britse regering de Amerikaanse media te censureren door kranten te verbieden ongunstige informatie en meningen te publiceren.

Een van de eerste rechtszaken over persvrijheid in Amerika vond plaats in 1734. De Britse gouverneur William Cosby spande een smaadzaak aan tegen de uitgever van Het New Yorkse Weekblad, John Peter Zenger, voor het publiceren van kritiek op de regering van Cosby. Zenger werd vrijgesproken.

Cato's brieven

De idealen van de Amerikaanse vrije pers zijn terug te voeren op Cato's Letters, een verzameling essays waarin het Britse politieke systeem werd bekritiseerd en die op grote schaal werd gepubliceerd in het pre-revolutionaire Amerika.

De essays zijn geschreven door de Britten John Trenchard en Thomas Gordon. Ze werden gepubliceerd onder het pseudoniem Cato tussen 1720 en 1723. (Cato was een staatsman en uitgesproken criticus van corruptie in de laat-Romeinse Republiek.) De essays riepen corruptie en tirannie in de Britse regering op.

Een generatie later werden Cato's Brieven vaak geciteerd in kranten in de Amerikaanse koloniën als een bron van revolutionaire politieke ideeën.

Virginia was de eerste staat die de pers formeel beschermde. De Virginia Declaration of Rights uit 1776 verklaarde: "De persvrijheid is een van de grootste bolwerken van vrijheid en kan nooit worden beperkt dan door despotische regeringen."

Meer dan een decennium later zou James Madison, vertegenwoordiger van Virginia (en later president van de Verenigde Staten), van die verklaring lenen bij het opstellen van het Eerste Amendement.

Mediavrijheid en nationale veiligheid

In 1971 gaf de Amerikaanse militaire analist Daniel Ellsberg kopieën van geheime documenten aan: The New York Times. De documenten, die bekend zouden worden als de Pentagon Papers, bevatten een uiterst geheime studie van het ministerie van Defensie over de Amerikaanse politieke en militaire betrokkenheid in Vietnam van 1945 tot 1967.

De Pentagon Papers onthulden de kennis van de regering dat de oorlog meer levens zou kosten dan het publiek was verteld en onthulden dat de presidentiële regeringen van Harry Truman, Dwight D. Eisenhower, John F. Kennedy en Lyndon B. Johnson allemaal het publiek hadden misleid over de mate van betrokkenheid van de VS in Vietnam.

De regering heeft een gerechtelijk bevel verkregen om te voorkomen dat The New York Times van het publiceren van meer fragmenten uit de kranten, met het argument dat het gepubliceerde materiaal een bedreiging voor de nationale veiligheid vormde. Een paar weken later probeerde de Amerikaanse regering de publicatie van de kranten in de... Washington Post ook, maar de rechtbanken weigerden dit keer.

In de New York Times Co. v. Verenigde Staten, oordeelde de Hoge Raad in het voordeel van de kranten, waardoor het mogelijk werd om: The New York Times en Washington Post om de inhoud van de Pentagon Papers te publiceren zonder het risico van verdere overheidscensuur.

Voormalig CIA-medewerker Edward Snowden lekte in 2013 geheime documenten van de National Security Administration naar kranten in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Duitsland. Zijn lekken onthulden verschillende surveillanceprogramma's van de overheid en veroorzaakten een wereldwijd debat over spionage door de overheid.

Sommigen hekelden Snowden als een verrader, terwijl anderen zijn acties steunden en hem een ​​klokkenluider en voorvechter van mediavrijheid noemden.

Persvrijheid over de hele wereld

In 2017 ontdekte een in de VS gevestigde non-profitorganisatie Freedom House dat slechts 13 procent van de wereldbevolking een vrije pers geniet - een mediaomgeving waar de politieke berichtgeving robuust en ongecensureerd is, en de veiligheid van journalisten is gegarandeerd.

De 10 slechtst beoordeelde landen en gebieden ter wereld zijn: Azerbeidzjan, de Krim, Cuba, Equatoriaal-Guinea, Eritrea, Iran, Noord-Korea, Syrië, Turkmenistan en Oezbekistan.

De Verenigde Staten stonden in 2017 op 37 van de 199 landen en gebieden voor persvrijheid. Noorwegen, Nederland en Zweden waren de landen met de hoogste rangorde.

BRONNEN

De oorsprong van vrijheid van meningsuiting en pers; Maryland Law Review.
Persvrijheid 2017; Vrijheidshuis.


"Persvrijheid in Small-Town America"

Dit is geen boek over persvrijheid, maar de auteur ziet het als een voorbeeld van de persvrijheid. Het grootste deel van het boek bestaat uit geselecteerde wekelijkse columns of die in de Journaal-Koerier van Jacksonville, Illinois tussen november 2009 en oktober 2018. Ze worden aangevuld met stukken die de auteur schreef voor een lijst van vrienden en kennissen, zowel voor de startdatum als na de sluitingsdatum. Elk stuk krijgt een korte introductie. Dit is een liberale mening die wordt gepubliceerd door een conservatieve krant in een kleine stad. Steve Hochstadt is een jood die opgroeide in een buitenwijk van de middenklasse op Long Island, New York. Hij doceerde geschiedenis aan Bates College in Maine voordat hij verhuisde naar Illinois College in Jacksonville op het platteland van Illinois. De auteur lijkt verrast te zijn dat hij negen jaar lang zijn liberale opvattingen heeft kunnen publiceren in het conservatieve landelijke Illinois. Hoewel hij schriftelijke uitingen van afkeer ontving, werd hij nooit verbaal mishandeld of bedreigd toen hij zich in deze kleine gemeenschap waagde.

Maar tegelijkertijd geeft hij toe dat hij de veronderstelling was dat hij de publieke opinie kon veranderen door elke week een paar feiten in de krant te vermelden. Dat lijkt niet te hebben gewerkt. Morgan County, waarvan Jacksonville de provinciehoofdstad is, stemde 62 tot 65 procent Republikeins voor het presidentschap bij elke verkiezing van 2004-2020, op één uitzondering na. In 2008 droeg John McCain Morgan County met minder dan één procent. Ik wou dat de auteur had gespeculeerd waarom.

Hochstadt trok zijn stempel wel enigszins in de gepubliceerde columns. De inleidingen en niet-gepubliceerde stukken bevatten scherpere negatieve beoordelingen van conservatief (en Republikeins) beleid en standpunten. Hij schreef ook vrij vaak over niet-politieke onderwerpen, gezinsvakanties, tuinieren, honden, de seizoenen en sportfiguren, vooral Jackie Robinson en Mohammed Ali.

De auteur is een eerlijke, fatsoenlijke, eerlijke, gulle, redelijke en liefdadige man. Hij ziet zichzelf als een buitenstaander in Amerika, deels omdat zijn vader als jood in 1938 Wenen, Oostenrijk moest ontvluchten om de nazi's te ontlopen. Hij heeft gepubliceerd over de geschiedenis van de Holocaust waarin hij natuurlijk familieleden verloor. De dreiging van tribalisme in elke menselijke samenleving is nooit ver van zijn bewustzijn.

Hij stelt dat &ldquo mijn leven van meningen afhangt van de crapshoot van geboorte, de kans op geografie en de eigenaardigheden van het gezinsleven.&rdquo (p. 118) Hoe komt het dan, dat de recensent, van overwegend Duitse protestantse afkomst en opgegroeid met een financieel precaire varkensboerderij in het westen van Missouri, is het met hem eens over bijna elk onderwerp dat hij kiest om te bespreken. Als Hochstadt beweert dat "politieke economie is waar ik om geef." (p. 381), en "wanneer Republikeinen hun boze oog op de armen richten, word ik ziek." klimaatverandering, wapenbeheersing, respect voor wetenschap, regulering van het bedrijfsleven, stemrecht, gezondheidszorg, racisme, antizionisme en de vele andere onderwerpen die hij aansnijdt. Alleen in liefde voor sport en honden verschillen onze meningen. Ik schaamde me enorm voor mijn onhandigheid op het schoolsportveld, en de familiehond viel me aan toen ik ongeveer 12 was.

We delen vergelijkbare ervaringen. Ik ben maar een jaar ouder dan Hochstadt en we zijn allebei professioneel geschoold in geschiedenis. Ook mijn vader moest de wereld verlaten waar hij het meest van hield, omdat economische trends hem van zijn kleine familieboerderij dwongen toen ik op de middelbare school zat. Dus ook ik was de sceptische buitenstaander als ik luisterde naar de beloften van overvloed van het Amerikaanse bedrijfskapitalisme. We hadden allebei te maken met de trekking uit het Vietnam-tijdperk, hoewel ik was opgeroepen, en hij ontsnapte met een hoog lotnummer. Toch is dit alles niet genoeg om onze politieke overeenkomst op bevredigende wijze te verklaren, en ook niet genoeg voor mij en ook niet voor de lezer, vermoedt men.

Door dit boek te lezen, kan men een overzicht geven van veel van de meest voorkomende politieke zorgen die liberalen de afgelopen twaalf jaar hebben gehad. Men houdt ervan om zijn standpunt te versterken. Maar ik kan het optimisme van de auteur over verbetering niet delen. Wou dat ik kon!

Toch leest men in deze tijd van extreme politieke partijdigheid graag de overpeinzingen van zo'n bedachtzame en fatsoenlijke man en zelfs iemand met een uitgesproken politieke mening.


Persvrijheid

Diverse referenties

... van meningsuiting en van de pers, vooral omdat die vrijheid een geïnformeerde toegang tot informatie en meningen over politieke zaken mogelijk maakt. Zelfs de meer repressieve regimes van vandaag erkennen dit onderliggende principe, in die zin dat hun bestuursorganen proberen ervoor te zorgen dat ze zelf geïnformeerd worden en blijven over wat er…

Hoewel de grondwet voorziet in persvrijheid, wordt deze niet altijd gehandhaafd en hebben sommige journalisten zelfcensuur toegepast.

…en de grondwet voorziet in persvrijheid. De Bengaalse kranten hebben een relatief kleine oplage, wat een weerspiegeling is van het lage alfabetiseringsniveau in het land. Niet-lezers worden echter nog steeds blootgesteld aan de ideeën en invloed van de pers, aangezien kranten vaak in groepen worden voorgelezen. Hoewel…

Een van de meest dramatische pogingen van de regering van de Verenigde Staten om voorafgaand (voorpublicatie) terughoudendheid te betrachten, vond plaats in verband met de Pentagon-papieren (1971), een "topgeheim" multivolume-rapport over de oorlog in Vietnam dat heimelijk werd geleverd aan verschillende ...

... van religie, spraak en de pers, en het recht op vreedzame vergadering en petitie. Andere garanties in de Bill of Rights vereisen eerlijke procedures voor personen die van een misdrijf worden beschuldigd - zoals bescherming tegen onredelijke huiszoeking en inbeslagname, verplichte zelfbeschuldiging, dubbel gevaar en buitensporige borgtocht - en garanties van een snelle en openbare...

... vrijheid van meningsuiting, van de pers, van vergadering en petities - hier samen besproken als "vrijheid van meningsuiting" - beschermen in grote lijnen de meningsuiting tegen beperkingen van de overheid. Zo mag de regering bijvoorbeeld anti-oorlogstoespraken, toespraken waarin geweld wordt geprezen, racistische uitspraken, pro-communistische uitspraken en dergelijke niet verbieden. Noch

De persvrijheid werd de volgende drie eeuwen nagestreefd en aangevallen, maar tegen het einde van de 18e eeuw was er een grote mate van vrijheid gewonnen in West-Europa en Noord-Amerika en was er een breed scala aan drukwerk in omloop...

... waardoor de persvrijheid verder werd beperkt. Sinds 2000 zijn er echter een aantal verboden versoepeld. Jordan heeft verschillende literaire tijdschriften en wetenschappelijke en actuele tijdschriften. Radio- en televisiestations, die eigendom zijn van de overheid, tonen programma's uit zowel Arabische als westerse landen.

De grondwet van 1976 garandeerde de persvrijheid. Het lezerspubliek van dagbladen in Portugal is vrij beperkt, vooral buiten de stedelijke centra. De nationalisatie van de industrie die in 1974 begon, omvatte de toonaangevende Lissabon-kranten, die eigendom waren van banken. In 1979 begon de geleidelijke herprivatisering Diário…

…klaagde over het gebrek aan persvrijheid in Venezuela.

… Specifieke burgerlijke vrijheden die werden opgesomd, omvatten persvrijheid, de vrije uitoefening van religie en het bevel dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd, behalve door de wet van het land of door het oordeel van zijn gelijken.

Ondersteuning door

... zijn standpunten herhalen en zijn recht om ze te publiceren. Dreigingen met geweld door het gepeupel dwongen hem echter zijn pers over de Mississippi-rivier te verplaatsen naar Alton, in de vrije staat Illinois. Ondanks de nieuwe locatie werd zijn pers meerdere keren in een jaar tijd vernietigd door bendes. Eindelijk, op de…

...in 1985 om wereldwijd te pleiten voor persvrijheid. Vernoemd naar de internationale medische liefdadigheidsinstelling Artsen zonder Grenzen, heeft Reporters Without Borders (meestal aangeduid met het Franse acroniem RSF) talloze onderscheidingen ontvangen voor zijn werk, waaronder de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken van het Europees Parlement in 2005. De...

... een Franse kennis hoe ver de persvrijheid reikte in Engeland, zei hij: "Ik kan het niet zeggen, maar ik probeer erachter te komen."

Proef van

...van het recht van een journalist op vrije meningsuiting. Zijn Het politieke huis dat Jack bouwde (1819), de eerste en meest bekende van een reeks satires die hij produceerde met de karikaturist George Cruikshank, liep in 54 edities maar slaagde er niet in Hone oplosmiddel te houden. Een faillissement (1828) volgde op zijn gevangenschap voor ...

…de eerste belangrijke overwinning voor de persvrijheid in de Engelse koloniën van Noord-Amerika.


2012 tot heden: Uitbreiding van onze pro bono juridische dienstverlening

De Reporters Committee benoemde Bruce Brown in 2012 tot uitvoerend directeur. Onder zijn leiding heeft de Reporters Committee haar diensten en middelen uitgebreid. In 2014 schakelde Brown Katie Townsend in om een ​​pro bono procespraktijk op te bouwen die journalisten en nieuwsorganisaties directe vertegenwoordiging biedt. Onze advocaten werken nu aan zaken voor toegang tot openbare registers, toegang tot de rechtbank, zaken met betrekking tot de nabootsing van journalisten door wetshandhavers en meer.

We hebben de praktijk ook uitgebreid met het werken met documentairemakers en hebben onze inspanningen uitgebreid om de raakvlakken tussen technologie en het Eerste Amendement te onderzoeken. We hebben ook een voortrekkersrol gespeeld bij de inspanningen om samen te werken met de federale overheid om de rechten van verslaggevers om bronnen vertrouwelijk te houden te versterken. We blijven agressief zoeken naar mogelijkheden om ons uit te spreken namens journalisten en nieuwsorganisaties in het hele land door middel van onze robuuste en groeiende amicuspraktijk.

In de afgelopen vier decennia heeft de Reporters Committee een rol gespeeld in vrijwel elke belangrijke persvrijheidszaak die voor het Hooggerechtshof is gekomen, inclusief Nebraska Press Association v. Stuart, VS v. Moussaoui, en Timmerman vs. V.S. - evenals in honderden gevallen in federale en staatsrechtbanken die de persrechten beïnvloeden.

En sinds onze oprichting heeft geen enkele verslaggever ooit betaald voor onze hulp bij het verdedigen van de rechten van het Eerste Amendement. Dit was de visie van onze oprichters en onze meest trotse prestatie.


Geschiedenis

Het Reporters Committee for Freedom of the Press werd opgericht in 1970 in een tijd dat de nationale nieuwsmedia geconfronteerd werden met een golf van dagvaardingen van de regering waarin journalisten werden gevraagd om vertrouwelijke bronnen te noemen.

Eén geval heeft vooral Amerikaanse journalisten geprikkeld. New York Times-verslaggever Earl Caldwell kreeg de opdracht om aan een federale grand jury zijn bronnen in de Black Panther-organisatie te onthullen, waarmee hij zijn onafhankelijkheid als nieuwsverzamelaar bedreigde.

Het dilemma van Caldwell was aanleiding voor een bijeenkomst aan de Universiteit van Georgetown om de noodzaak te bespreken om journalisten juridische bijstand te verlenen wanneer hun rechten op het eerste amendement onder vuur komen te liggen. Onder de aanwezigen, of kort daarna betrokken, waren J. Anthony Lukas, Murray Fromson, Fred Graham, Jack Nelson, Ben Bradlee, Eileen Shanahan, Mike Wallace, Robert Maynard en Tom Wicker.

Ze vormden een commissie die parttime en met weinig geld opereerde (het eerste '8220kantoor'8221 was een bureau in de perskamer van het Amerikaanse Hooggerechtshof). Met steun van stichtingen en nieuwsorganisaties bouwden de oprichters een staf op en begonnen ze advocaten te werven om hun diensten te doneren.

Een van de eerste leden van de stuurgroep – Jack C. Landau – was een verslaggever-advocaat die verslag deed van het Hooggerechtshof. In zijn vrije tijd startte Landau de First Amendment Hotline - de eerste kosteloze 24/7 juridische begeleidingsdienst voor journalisten die betrokken zijn bij First Amendment en vrijheid van informatiekwesties - en lokaliseerde hij ook gratis advocaten voor de pers, geholpen door een lid van de stuurgroep Fred P. Graham, een verslaggever-advocaat bij het Hooggerechtshof.

In die vroege dagen van vrijwilligerswerk startte Landau ook verschillende andere juridische verdedigings- en onderzoeksprojecten die vandaag de dag nog steeds belangrijke onderdelen zijn van de activiteiten van de commissie. Onder deze projecten bevonden zich het eerste tijdschrift voor de pers dat gewijd was aan het verzamelen, indexeren en rapporteren van ontwikkelingen op het gebied van nieuwsmediawetten en het eerste servicecentrum dat gratis hulp bood aan de pers over federale en alle openbare registers, geholpen door Gene Roberts, hoofdredacteur van Philadelphia Inquirer.

De commissie lanceerde ook als een onafhankelijk maar gelieerd project, het Student Press Law Center, het eerste centrum dat kosteloze juridische hulp biedt aan middelbare scholieren en universiteiten, geholpen door Jack Nelson, lid van de stuurgroep. Landau werd uiteindelijk de fulltime uitvoerend directeur van de commissie.

De commissie was een aanklager in verschillende vroege rechtszaken met een proefrecht en vertrouwde op vrijwillige advocaten van grote Washington D.C.-firma's. Het ging onder meer om rechtszaken voor toegang tot 41 miljoen documenten en banden van het Witte Huis die in het bezit waren van voormalig president Nixon, aan de officiële telefoonafschriften van voormalig minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, tot arrestatiegegevens van de FBI en ook een poging om telefoonmaatschappijen te blokkeren van het geven van geheime toegang tot telefoongegevens van de media. .

Advocaat (en voormalig journalist) Jane E. Kirtley verving Landau als uitvoerend directeur in 1985. Kirtley was vastbesloten om betrouwbare bronnen van topkwaliteit te bieden om journalisten te helpen de wettelijke bescherming en valkuilen te kennen terwijl ze hun werk deden. Tijdens haar ambtstermijn begon de commissie met het opstellen van uitgebreide handleidingen voor verslaggevers, waaronder een compendium van 50 staten van staatswetten voor open regeringen, nu bekend als “The Open Government Guide.” “The First Amendment Handbook'8221 biedt basisinformatie over mediawet voor redacties en 'Agents of Discovery' onderzochten het aantal dagvaardingen op Amerikaanse redacties.

Kirtley begon ook een populair juridisch fellowship-programma voor jonge advocaten die inbraken in de mediawet. Het was gedurende deze jaren dat de commissie ook financieel stabieler werd, en begon met een schenking die nu in totaal meer dan $ 2,5 miljoen bedraagt.

Tegen de tijd dat Lucy A. Dalglish de functie van uitvoerend directeur in 2000 overnam, stond het comité klaar om voort te bouwen op zijn aanzienlijke reputatie. Na de terreuraanslagen op 11 september 2001 werd het Comité de belangrijkste autoriteit van het land op het gebied van inspanningen om te voorkomen dat belangrijke informatie het publiek bereikt. De '8220Homefront Confidential'-rapporten en de weblog 'Behind the Homefront'8221 zijn gezaghebbende samenvattingen van wat er in de wereld van na 9/11 is gebeurd met het recht van het publiek om te weten.

Dalglish verliet de Reporters Committee in juli 2012.

De afgelopen jaren heeft de commissie het voortouw genomen bij het bouwen van coalities met andere mediagerelateerde organisaties om de rechten van verslaggevers om bronnen vertrouwelijk te houden te beschermen en om toezicht te houden op wetgevingsinspanningen die van invloed zijn op het recht van het publiek om kennis te nemen. Het heeft ook agressief naar mogelijkheden gezocht om zich in het hele land uit te spreken door middel van amicus curiae-briefingen.

In de afgelopen vier decennia heeft de commissie een rol gespeeld in vrijwel elke belangrijke persvrijheidszaak die voor het Hooggerechtshof is gekomen - van Nebraska Press Association v. Stuart tot US v. Moussaoui - en in honderden zaken in federale en staatsrechtbanken.

Het Comité is ook naar voren gekomen als een belangrijke nationale – en internationale – bron op het gebied van vrijheid van meningsuiting en verspreidt informatie in verschillende vormen, waaronder een driemaandelijkse juridische beoordeling, een wekelijkse nieuwsbrief, een 24-uurs hotline en verschillende handboeken over mediarechtkwesties .

Academici, staats- en federale agentschappen en het Congres doen regelmatig een beroep op het Comité en zijn advocaten voor advies en expertise, en het is de belangrijkste pleitbezorger geworden voor de interesse van verslaggevers in cyberspace.

Hoe belangrijk deze activiteiten ook zijn, de belangrijkste missie van het Comité blijft het bedienen van werkende journalisten - meer dan 2.000 van hen per jaar die de hotline bellen, en tienduizenden die toegang hebben tot onze online bronnen. En sinds de oprichting heeft geen enkele verslaggever ooit betaald voor de hulp van de commissie bij het verdedigen van de rechten van het Eerste Amendement. Dit is de belichaming van de visie van de oprichters en de meest trotse prestatie van de commissie.

Meer over de geschiedenis van de Reporters Committee uit:

  • Mede-oprichter Murray Fromson op de 35e verjaardag
  • Jules Witcover, “A reporters'8217 commissie die werkt,” Columbia Journalism Review, mei/juni 1973
  • Floyd J. McKay, “First Amendment Guerillas: Formative Years of the Reporters Committee for Freedom of the Press,” Journalism Communication Monographs, herfst 2004(Dit artikel wordt gebruikt met toestemming van AEJMC en mag door niemand geheel of gedeeltelijk worden hergebruikt voor welk doel dan ook.)

De ontoereikendheid van de Amerikaanse persvrijheid

In de afgelopen jaren is de relatie tussen de rechten van het eerste amendement en de Amerikaanse democratie onrustig geworden. Decennialang had een brede politieke consensus aangenomen dat een pers die vrij was van overheidsinmenging het belangrijkste was sine qua non van democratische vrijheid zou een sterker eerste amendement een sterkere democratie betekenen. Als gevolg hiervan worden de rechten van het eerste amendement tegenwoordig beter beschermd dan ooit in de Amerikaanse geschiedenis. Toch wordt de pers geteisterd door een crisis. De “mainstream media” is een regelmatige zweepjongen in populistische politieke retoriek. Nu de advertentie-inkomsten instorten, zijn kranten gedwongen personeel te ontslaan, zo niet hun deuren te sluiten. Ondertussen hebben de nieuwsmedia moeite om verslag uit te brengen over de activiteiten van de geheime veiligheidsstaat tijdens de War on Terror - wanneer interne bronnen dergelijke informatie delen, riskeren ze vervolging wegens illegaal lekken. En sinds de verkiezingen van 2016 is de angst voor nepnieuws toegenomen. Amerikanen nemen de vrije pers onder de loep die ze lang hebben verheerlijkt, en ze houden niet echt van wat ze zien.

Bijna honderd jaar geleden was een jonge Walter Lippmann op dezelfde manier gedesillusioneerd door de nationale pers. In 1919, in een reeks artikelen in de Atlantische Oceaanwierp hij een cynische blik op de sensationele krantenkoppen van de commerciële pers en de opkomst van censuur en propaganda in oorlogstijd. In passages die vandaag de dag bekend voorkomen, maakte hij zich zorgen over de opkomst van een "pseudo-omgeving van rapporten, geruchten en gissingen" en betreurde hij hoe gemakkelijk het nieuws de "besmetting van redeloosheid" verspreidde. En hoewel het Eerste Amendement nog maar net aan zijn snelle twintigste-eeuwse opkomst begon, had Oliver Wendell Holmes de moderne visie van vrijheid van meningsuiting geschetst in zijn Abrams v. Verenigde Staten enkele weken eerder een afwijkende mening – Lippmann vond al dat het recht om te publiceren zonder staatsinmenging ontoereikend was om de problemen van de moderne pers het hoofd te bieden. Lippmann dacht zelfs dat het beschermen van het recht op vrije mening en meningsuiting minder belangrijk was dan het beschermen van wat hij de 'nieuwsstroom' noemde waarop meningen waren gebaseerd. "Bescherming van de bronnen van zijn mening," drong Lippmann al snel aan, "is het fundamentele probleem van de democratie. Al het andere hangt ervan af.”[1]

Terwijl hij de komende jaren met dit moeilijke probleem worstelde, zou de steeds conservatiever wordende Lippmann zijn verplichtingen aan democratie, vrijheid van meningsuiting en het potentieel van de publieke opinie terugschroeven. Tegen 1926 voerde hij aan dat "het publiek op zijn plaats moet worden gezet ... zodat ieder van ons vrij kan leven van het vertrappen en gebrul van de verbijsterde kudde." [2] We kunnen vroege tekenen van een vergelijkbaar politiek traject zien in de hedendaagse angst voor nepnieuws en suggesties dat het mogelijk zou kunnen zijn om desinformatie weg te reglementeren. Maar veel andere Amerikanen in de twintigste eeuw, die net zo bezorgd waren over de 'nieuwsstroom' als Lippmann, reageerden op crises in de pers niet door hun geloof in het Eerste Amendement terug te schroeven, maar door het uit te breiden. Ze bleven beweren dat een meer democratische pers niet alleen vrijheid van meningsuiting vereiste, maar ook een toewijding aan wat sommigen 'vrijheid van het nieuws' noemden.

In dit artikel wil ik kijken naar de manier waarop pershervormers in het midden van de eeuw twee nieuwe problemen probeerden te verhelpen die ons vandaag de dag nog steeds bezighouden: bedrijfsconsolidatie in de nieuwsindustrie en de opkomst van het staatsgeheim. Deze onderwerpen komen zelden in onze geschiedenis van persvrijheid, die voornamelijk gericht blijft op de jurisprudentie van het Eerste Amendement zoals ontwikkeld door het Hooggerechtshof. Maar als we verder kijken dan de rechtbanken naar bredere politieke en intellectuele debatten over persvrijheid, vinden we zowel een uitgebreidere interpretatie van het recht op een vrije pers als een complexer verhaal over de opkomst van het moderne Eerste Amendement. Door dit te doen, kunnen we een betere gids vinden voor de problemen waarmee de Amerikaanse persvrijheid tegenwoordig wordt geconfronteerd.

Toen het Eerste Amendement in de late achttiende eeuw werd geschreven, verschilde de drukpers niet radicaal van die van Gutenberg, eeuwen eerder uitgevonden. In de loop van de volgende eeuw veranderde de pers echter door technologische en economische ontwikkelingen. In de eerste decennia van de twintigste eeuw was er een krantenindustrie ontstaan, gedomineerd door massale, stedelijke kranten met een enorme oplage. Omdat ze aantrekkelijk waren voor adverteerders, hadden deze kranten het potentieel om zeer winstgevend te zijn. Maar om zoveel mogelijk lezers te bereiken, waren er enorme investeringen nodig in productie- en distributie-infrastructuur. Kranten werden daarom steeds meer in handen van rijke uitgevers en omdat de advertentie-inkomsten naar de meest succesvolle kranten vloeiden, werden kleinere kranten gedwongen te sluiten.

Als gevolg hiervan was de krantenindustrie in de eerste decennia van de twintigste eeuw begonnen aan een periode van consolidatie die tot op de dag van vandaag voortduurt. We denken vaak dat de neergang van de krantenindustrie begon met de opkomst van internet, maar in 1909 had de VS eigenlijk het hoogste aantal kranten. Tussen 1919 en 1942, toen de bevolking met bijna 30 procent toenam, was er een daling van ongeveer 15 procent in het aantal kranten in de natie. De papieren die overbleven, werden steeds monopolistischer. In 1910 waren er 689 steden met concurrerende kranten in 1960 waren er slechts zestig. En deze winstgevende, monopolistische kranten werden vaak in ketens aaneengesloten en geleid door flamboyant rijke krantenbaronnen die een buitensporige rol speelden in het Amerikaanse politieke leven. William Randolph Hearst was de schoolvoorbeeld.

In het Progressive en New Deal-tijdperk werd deze achteruitgang van de diversiteit van kranten door velen gezien als een echte uitdaging voor de persvrijheid. Perscritici zoals Upton Sinclair en George Seldes voerden aan dat als een kleine groep rijke zakenlieden de pers bezat en afhankelijk was van advertentie-inkomsten van grote bedrijven, kranten dan niet echt democratisch zouden kunnen zijn of eerlijk kunnen rapporteren over de economische en arbeidscrises waarmee de natie wordt geconfronteerd. Tijdens de depressie, toen krantenuitgevers als Hearst en Robert McCormick naar voren kwamen als reactionaire tegenstanders van de New Deal, bereikte de bezorgdheid over het ondemocratische karakter van de pers een hoogtepunt. Er werden boycots en massabijeenkomsten gehouden om te protesteren tegen Hearst, die door Raymond Gram Swing een van de 'voorlopers van het Amerikaanse fascisme' werd genoemd.[3] (Het is geen toeval dat) burger Kane, het culturele meesterwerk van die tijd, richtte zijn zinnen op de krantenuitgever.) Op de verkiezingsavond in 1936 vierden pro-Franklin D. Roosevelt-menigten feest door de Chicago Tribune een bestelwagen bouwen en in brand steken. In een nationaal uitgezonden debat in 1939 verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken van New Deal, Harold Ickes, dat "het ontbreken van een vrije pers de ernstigste bedreiging is waarmee onze democratische regering wordt geconfronteerd." De 'enorme financiële investering' van de kranten, concludeerde Ickes, 'verbindt hen nauw met de zakenwereld waaruit ze hun levensonderhoud putten. Vrijheid is onmogelijk…wanneer het telbureau de zweep hand vasthoudt.”[4] Het is moeilijk voor te stellen dat een later kabinetslid zou beweren dat de kapitalistische controle de vrijheid van de Amerikaanse pers ondermijnde, maar het was een heel ander moment voor populistische verontwaardiging over de politieke vooroordelen van de ‘mainstream media’.

New Dealers probeerden de economische structuur van de krantenindustrie te hervormen, zodat er een grotere diversiteit aan kranten zou kunnen bestaan ​​en een groter scala aan informatie het publiek zou kunnen bereiken. Als onderdeel van de National Recovery Administration stelden ze een code van eerlijke handelspraktijken voor de krantenindustrie voor, bedoeld om te voorkomen dat grote krantenketens kleinere kranten zouden discrimineren. Anti-reclameactivisten aangesloten bij de Food and Drug Administration probeerden valse reclame te verbieden, deels om consumenten te beschermen, maar ook om de afhankelijkheid van kranten van het bedrijfskapitalisme terug te dringen. Het ministerie van Justitie spande een antitrustprocedure aan tegen de persdienst van Associated Press (AP) in een poging de diversiteit van de kranten te vergroten. (Destijds kon normaal slechts één krant per stad een abonnement nemen op de AP, een echt nadeel voor degenen die nieuwe kranten begonnen.) De New Dealers waren toegewijde burgerlijke libertariërs, en dus stopten deze hervormingsvoorstellen elke poging om de inhoud van de kranten. Maar door de pers te behandelen als een industrie als alle andere, stelden ze zich niettemin voor dat een of andere vorm van staatsregulering van de kranteneconomie nodig zou kunnen zijn om een ​​meer diverse en democratische pers te produceren.

De krantenindustrie verzette zich fel tegen dit beleid. Achter gesloten deuren lobbyden ze bij politici om regulering tegen te gaan. Onder leiding van Elisha Hanson, algemeen adviseur van de American Newspaper Publishers Association, voerden ze publiekelijk aan dat New Deal-inspanningen om de pers te reguleren in strijd waren met het Eerste Amendement en een bedreiging vormden voor de Amerikaanse persvrijheid. Als de New Dealers de economie van de pers regelden, betoogde Hanson in 1943, zouden de mensen van de 'V.S. zal worden geconfronteerd net zoals de mensen van Duitsland vandaag worden geconfronteerd, met een door de overheid gecontroleerde pers. ”[5] De grotendeels vergeten Hanson was dus een centrale figuur in de geschiedenis van het Eerste Amendement - hij pionierde met het nu bekende gebruik van burgerlijke vrijheden als instrument om economische regulering tegen te gaan.

In de jaren dertig en veertig, in een tijd waarin Amerikanen zich grote zorgen maakten over de opkomst van het totalitarisme, waren Hansons argumenten succesvol in het afzwakken van de hervorming van de New Deal-pers. De voorgestelde code van eerlijke handelspraktijken werd herschreven om in wezen tandeloos te zijn, de waarheid-in-reclame-maatregelen werden radicaal afgezwakt. Terwijl het ministerie van Justitie zijn antitrustzaak tegen de AP won, was het Hooggerechtshof zo bezorgd over mogelijke inbreuken op de rechten van het Eerste Amendement dat het een smal precedent schiep voor de toepasselijkheid van de antitrustwetgeving op de pers. En de argumenten van Hanson hadden de liberalen zo overtuigd van de gevaren van staatsoptreden dat er na de Tweede Wereldoorlog heel weinig antitrustacties in de pers zouden zijn. When the Justice Department did dust off the AP precedent to try to block the merger of two newspapers in Tucson in the 1960s, the newspaper industry successfully lobbied the Nixon Administration for a formal exemption. Known as the Newspaper Preservation Act, this exemption began the late-twentieth century’s long wave of media deregulation.

In the second half of the twentieth century, therefore, America’s press was free from economic regulation. Economic consolidation continued as highly profitable monopoly newspapers hoarded advertising dollars and used those profits to buy their way into new markets, forming vast newspaper chains. Seeking to fund further expansion in the 1970s, many newspapers were listed on the stock exchange and began to take on debt. But as we now know, these empires were built on shaky foundations. When the media landscape diversified in the 1990s, advertising dollars evaporated. Fixated on maintaining profits, these publicly-listed businesses began to cut costs, particularly by slashing reportorial budgets. When that failed, they went out of business.

We can never know, of course, whether a different regulatory environment would have encouraged the newspaper industry to develop different, more sustainable, economic practices. But thinking about the economic history of the newspaper industry recasts the history of American press freedom. We normally assume that the public and the press share an interest in First Amendment rights and that the press needs to be free from state interference so that it can best inform the public. But once the press consolidated as a powerful industry, it was less clear whether the press and the public had the same interests. New Deal reformers, for instance, thought that the public interest in a diverse newspaper market might require state regulation of the press. But the newspaper industry successfully argued that such state regulation violated press freedom their economic freedoms were essential to democratic liberty. The result, as A. J. Liebling pithily put it in the 1960s, was that “freedom of the press is guaranteed only to those who own one.”[6]

At roughly the same time that Americans lost interest in reforming the newspaper industry, they confronted a new challenge to press freedom—the rise of state secrecy. The pressures of World War II and the Cold War led to the construction of a vast new apparatus for keeping information secret from the public. In 1951, Harry Truman issued an executive order creating the modern classification system. We do not know exactly how much information has been classified since then—that is part of the point of a secrecy regime—but since the 1950s reviews of the system have routinely noted that it is bloated, classifying far more information than it should. In 2001 philosopher of science Peter Galison estimated that there were some 7.5 billion pages being kept secret, roughly the same number of pages as sit on the shelves of the Library of Congress. Today, between fifty and eighty million documents are classified each year.

In the 1950s and 1960s, in an effort to protect the public’s right to access information about their government, a freedom of information movement composed of journalists tried to roll back the secrecy regime. At first, they argued that the First Amendment right to a free press implied some right to access information. One of their leaders, Kentucky journalist James S. Pope, argued that “the right to speak out and to publish…requires implicitly the right to know.” But soon even Pope was forced to concede that “freedom of information is a will-o’-the-wisp among basic liberties.”[7] The courts have never recognized that the press has a Constitutional right of access to information.

Anti-secrecy activists instead turned to the legislature for relief and eventually succeeded in winning the passage of the Freedom of Information Act (FOIA) of 1966, an amendment to the Administrative Procedures Act. FOIA, which was revised in 1974, provides citizens with a right to receive information from the government and to go to court to enforce that right. But it was an inadequate tool for confronting the modern secrecy regime, as it exempted classified information from disclosure (as well as eight other categories of information, including internal policy deliberations). FOIA, in other words, did not challenge or reform the classification system, but rather deferred to it. Courts have subsequently been highly deferential to state claims that material is exempt from FOIA. That fact, combined with regular delays in processing requests, means that FOIA has not been helpful for journalists working on deadline. Instead, it has been used more successfully by corporations looking to glean information about regulations and contracts, as well as historians. The freedom of information movement did not succeed in its efforts to include the right to access information as one of the rights of a free press.

More broadly, Americans do not believe that the classification system interferes with the rights of a free press. This is because the classification system censors information at the source, leaving the press free to publish classified information it can get its hands on. As the Pentagon Papers decision made clear, the press has a First Amendment right to publish even classified information. But government employees do not have a First Amendment right to leak information. Daniel Ellsberg, for example, was only spared jail time for leaking the Pentagon Papers because the case was thrown out after the Nixon administration formed a small group—the plumbers—and broke into Ellsberg’s psychiatrist’s office. And as Thomas Drake, Chelsea Manning, John Kiriakou, Edward Snowden, and other targets of the “War on Whistleblowers” have learned, leaking national security information carries severe penalties. But because the newspapers that publish their disclosures are free from reprisal, the classification system is seen as compatible with First Amendment guarantees of press freedom.

As a result, the press relies on off-the-record disclosures to provide the public access to classified information. Leaks are habitual in American government, but they provide a poor guarantee of the public’s right to information. The fact that it remains illegal to leak classified information to the press means that government employees are disinclined to leak without at least tacit approval from the administration. A reliance on leaks and insider access creates press dependence on officials and anonymous sources, which undermines the autonomy of journalists to criticize government policy, makes it hard for the public to assess the accuracy and provenance of leaked information, and can lead to government manipulation of the news (think of weapons of mass destruction in the lead-up to the Iraq War). In other words, while the press retains its freedom to publish, the failure to confront the secrecy regime has undermined the public’s ability to access information.

The crises that beset the press today are a direct consequence of this longer history of press freedom. The rise of the internet created more opportunities for Americans to circulate their own opinions while simultaneously undermining the economic system that had paid for the reporting of new information. The result was the creation of a vacuum, into which flooded clickbait, fake news, and endless commentary. Meanwhile, important information about national security affairs only leaks out in partial form. The ongoing Russian investigation provides, in miniature, a parody of the process—the security branches and the president’s team issue statements without evidence the public is asked only to trust the authority of these various leakers.

When we think only about the freedoms of the press and speech, it is tempting to try to solve these problems by scaling back our commitment to the First Amendment. Why protect the rights of purveyors of fake news? But when we refocus our attention on the problems of public access to information, it is possible to maintain our commitment to First Amendment rights. The real challenge is not to drive bad information out of the polity, to ensure that citizens do not consume false news or bad opinions—a quixotic goal that could only lead to censorship. The challenge is rather to ensure that important information is available to the public. Initiatives for greater transparency would help: rolling back the runaway classification system, providing protections for national security whistleblowers, and reforming FOIA. Dedicated efforts to fund new initiatives in reporting would help as well. Whether that money comes from philanthropists, from discerning subscribers, or (less likely) from public funds, the key is that the money flows to those breaking news about policy, local governance, and social problems—money should not be siphoned off to support hot takes.

Over the course of the twentieth century, Americans provided the press unprecedented freedom to publish what it wanted, but did not build equally robust protections for the public’s right to access information. Today, Americans are once again beginning to realize that freedom of the press alone cannot produce a democratic media. The task now is to protect and revitalize the public’s ability to access high-quality information, what Walter Lippmann once called the “stream of news.”

Auteur

Sam Lebovic is Assistant Professor of History at George Mason University, where he also directs the history Ph.D. program and serves as Associate Editor of the Journal of Social History. Hij is de auteur van Free Speech and Unfree News: The Paradox of Press Freedom in America (2016), which was awarded the 2017 Ellis Hawley Prize by the OAH.

Opmerkingen:

[1]Walter Lippmann, Liberty and the News (1920 2008), 33, 37, 41.

[2]Walter Lippmann, The Phantom Public: A Sequel to “Public Opinion” (1927), 155.

[3]Raymond Gram Swing, Forerunners of American Fascism (1935), 134–152.

[4]“Ickes and Gannett Debate Free Press,” New York Times, Jan. 13, 1939, p. 14.

[5]Elisha Hanson, “Says AP Ruling will Lead to Regulation of the Press,” Editor and Publisher, Nov. 13, 1943, p. 8.

[6]A. J. Liebling, The Press (1961 1975), 8, 32.

[7]“Moss Committee Vital to Public Information,” Editor and Publisher, Jan. 26, 1957, p. 62 James S. Pope, “Freedom is Indivisible,” Nieman Reports, 7 (Jan. 1953), 31.,


How Freedom of the Press Works

Freedom of speech is anything but a modern concept. For thousands of years, humans have wrestled with the idea of allowing other people to speak their minds as they wish.

In 399 B.C.E., Socrates was put to death for daring to question Roman religious practices. In 1633, Galileo was harassed by the Spanish Inquisition for claiming that the sun did not revolve around the Earth.

Since then freedom of speech has evolved in myriad ways. But it's so vital to modern life that in the ashes of World War II, the United Nations saw fit to enshrine the ideal in the 1948 Declaration of Human Rights: "Everyone has the right to freedom of opinion and expression this right includes freedom to hold opinions without interference, and to seek, receive, and impart information and ideas through any media regardless of frontiers."

Within this declaration is an implication of a free press. (The UN's resolution 59 takes this even further by saying freedom of information is a fundamental human right.) People ought to be able to express their ideas through any form. However, there's a key difference between freedom of toespraak and freedom of the druk op. Freedom of speech means that you can express your opinions without being punished. Freedom of the press is about distribution — you can publish and disseminate news and opinions without fear of intervention and retaliation.

Many countries include press privileges in their governmental framework. Some back it up. Others do not [source: World Democracy Audit]. In the U.S., freedom of the press is enshrined in the First Amendment to the Constitution and reads as follows:

"Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof or abridging the freedom of speech, or of the press or the right of the people peaceably to assemble, and to petition the Government for a redress of grievances" [source: Constitute Project].


UNESCO, in keeping with its Constitution, advocates the basic human right of freedom of expression, enshrined in the Universal Declaration of Human Rights, and its corollary, press freedom. Indeed, since its creation in 1945, UNESCO has been called upon to “promote the free flow of ideas by word and image”, and the Organization’s Member States have repeatedly confirmed this mandate over the years in decisions adopted by the General Conference, the highest authority of the United Nations agency. UNESCO promotes freedom of expression and freedom of the press as a basic human right.

Public’s right of access to information

A free press is not a luxury that can wait for better times rather, it is part of the very process which can bring about better times. Freedom of the press should not be viewed solely as the freedom of journalists to report and comment. It is strongly correlated with the public’s right of access to knowledge and information. Communication often acts as a catalyst for the development of civil society and the full exercise of free expression enables all parts of society to exchange views and find solutions to social, economic and political problems. Free media play a crucial role in building consensus and sharing information, both essential to democratic decision-making and to social development.

In keeping with this mandate UNESCO has been working with professional organizations, and a wide range of governmental, as well as non-governmental partners, on several fronts to build up, support and defend free, independent and pluralistic media in developing countries, countries in transition and in conflict and post conflict areas.

UNESCO maintains close relations with regional and international media organizations and press freedom advocacy groups. One of its major partners is the electronic clearing-house and alert network, IFEX, which groups 500 member organizations in 130 countries. Since 1992, IFEX has facilitated the sharing of information about press freedom and the efficiency of reactions to cases of violations.

Professional training for journalists

UNESCO recognizes that media independence and freedom of information do not hinge only on the capacity of private individuals to operate media outlets it also requires a commitment to professional standards of reporting. Thus UNESCO’s work includes advocacy, professional training for journalists and media professionals, and support for professional networks, as well as providing governments with advice and information on best practices regarding media legislation and regulation.

Werelddag voor persvrijheid

Amidst the growing recognition of the importance of press freedom for democracy and development, in 1993 the United Nations General Assembly proclaimed that May 3 is “World Press Freedom Day”. Throughout the world, this Day serves as an occasion to celebrate press freedom, raise awareness of violations against the right to freedom of expression and draw attention to the work of all too many journalists forced to brave death or jail to bring people their daily news. It is also on World Press Freedom Day that UNESCO awards the annual UNESCO/Guillermo Cano World Press Freedom Prize to a journalist who has distinguished him or herself in the fight for press freedom.

UNESCO is increasingly being asked to assist, together with the other United Nations system organizations, funds and programmes, in seeking solutions in conflict prevention, emergency assistance, and post-conflict peace-building. Freedom of the press, pluralism and independence of the media, and development of community newspapers and radio stations are crucial tothe re-establishment of social bonds and to the reconciliation process.

Assistance to Media in Conflict Situations

For several years now, UNESCO has been supporting independent media in conflict and post-conflict situations to enable them to gather and disseminate non-partisan information. In this respect, the assistance provided to independent media in Afghanistan, Angola, the Balkans, East Timor, the Great Lakes Region in Africa, Iraq, Liberia, the Middle East, Nepal, Sudan and elsewhere has contributed to peace building and reconciliation processes. This action in promoting independent media in conflict situations has been recognized by the international community. The humanitarian nature of this work was recognized by the Office of the United Nations High Commissioner for Refugees and the Department of Humanitarian Affairs in the June 1994 United Nations Inter-Agency Appeal. In 1996 the Appeal designated UNESCO as lead agency for assistance to independent media for the reconstruction period in the former Yugoslavia. Since then the Organization has received considerable financial support from a number of donor countries. In conflict areas, information is very often replaced by rumors and propaganda. UNESCO will therefore continue to support, together with the United Nations and professional organizations, local media whose independence of the parties to the conflict is acknowledged, which provide non-partisan information and which defend the values of peaceful coexistence and mutual understanding.


Importance Of A Free Press

A free press is guaranteed by the U.S. Constitution, but no right is truly guaranteed. Despite the United States’ historic role as a global champion of free speech, the nation often receives less-than-stellar marks when it comes to protecting the press (the United States is ranked only 45th out of 180 countries in a report on media freedom).

Freedom of the press is important because it plays a vital role in informing citizens about public affairs and monitoring the actions of government at all levels. While the media may be unpopular —43 percent of Americans say the media supports democracy “very poorly” or “poorly,” a Knight Foundation/Gallup report found — this role should not be forgotten.

To protect our rights, we must understand our rights. Here are four fundamental facts we should all remember about freedom of the press:

Media-bashing is as old as the nation itself. George Washington once referred testily to the “infamous scribblers” who covered his administration. But our revolutionary forefathers knew that when the press examines the actions of government, the nation benefits. News organizations expose corruption and cover-ups, deceptions and deceits, illegal actions and unethical behavior—and they hold our leaders and our institutions accountable, whether it’s a rural county in Kentucky or the state government in Illinois.

Freedom of the Press Quotes

“Republics and limited monarchies derive their strength and vigor from a popular examination into the action of the magistrates,” Benjamin Franklin declared. By sharing knowledge and sparking debate, a free press invigorates and educates the nation’s citizens. Freedom will be “a short-lived possession” unless the people are informed, Thomas Jefferson once said. To quote John Adams: “The liberty of the press is essential to the security of the state.”

The Bill of Rights was modeled after the Virginia Declaration of Rights, written by George Mason in 1776. During the Constitutional Convention, Mason and other Anti-Federalists, including James Monroe and Patrick Henry, believed that the U.S. Constitution failed to place specific limits on the government’s power. That led to the eventual creation of the Bill of Rights and its ten amendments, written by James Madison.

What does the First Amendment say about freedom of the press?

The First Amendment is one of the great statements in the history of human rights. It declares: “Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof or abridging the freedom of speech, or of the press or the right of the people peaceably to assemble, and to petition the government for a redress of grievances.” That means the government cannot punish you for your views, thoughts, or words, even if they’re unpopular save for very narrow limits. But we the people can say what we think—and the press can perform its essential role: To agitate, investigate, and scrutinize our leaders and institutions. That freedom is the difference between a democracy and a dictatorship.

The press is under attack.

Threats against journalists aren’t new. The Sedition Act of 1798 prohibited the publishing of “false, scandalous, and malicious writing” against the government, and was “perhaps the most grievous assault on free speech in the history of the United States,” writes Geoffrey Stone, author of Perilous Times—Free Speech in Wartime. Antiwar journalists were arrested in World War I and during the Red Scare. In 1971, the U.S. government attempted to cease publication of the Pentagon Papers. Journalists such as former New York Times reporter Judith Miller have chosen jail sentences rather than reveal confidential sources, and in 2007, Joe Arpaio, then sheriff of Maricopa County in Arizona—agitated by investigations into his commercial real estate transactions by the Phoenix New Times—arrested journalists at their homes on false charges.

Today, reporters face an increasingly hostile environment. Journalists and freelance writers have been forced to hand over cell phones and other devices to border agents for inspection when exiting or entering the United States, the nonprofit Committee to Project Journalists reports. Border agents have also interrogated them about everything from private conversations to their social media posts.

At a local level, journalists were arrested at least 34 times in 2017, according to Reporters Without Borders. Nine journalists were arrested for covering protests in St. Louis, the group reports, and a journalist in North Dakota was arrested for covering a Dakota Access pipeline protest. Reporter Dan Heyman was jailed in West Virginia last year after asking then Health and Human Services Secretary Tom Price a question about healthcare legislation (the charge was willful disruption of state government processes). On a national level, the President has retweeted violent memes against CNN and railed against reporters and news outlets that criticize his administration, even stating that certain media outlets should lose their broadcasting licenses. He has called the press “enemies of the people,” a phrase also used by 20 th century authoritarians.

The Trump administration’s proposed tariffs could also hurt the newspaper industry. Newsprint is the second largest expense for small papers after human resources costs, according to the National Newspaper Association, and the White House is calling for tariffs of up to 32 percent on uncoated groundwood paper. That would be a major blow for an industry already suffering from layoffs and downsizing: From January 2001 to September 2016, the number of newspaper jobs fell from 412,000 to 174,000, according to the Bureau of Labor Statistics.

Thomas Jefferson once quipped that he’d rather have newspapers without a government than a government without newspapers. He changed his mind, however, after the presidential campaign of 1800, when he endured the scrutiny of the press. Politicians from Franklin Roosevelt to Bill Clinton to Donald Trump have complained about the media, which means the press is doing its job. Journalists are watchdogs—not cheerleaders. They ignite dialogue on essential issues. They share the truths that powerful people would rather conceal. They are the force that holds our leaders accountable for their actions.

Why is freedom of the press important in a democracy?

When our leaders threaten journalists, they are threatening the First Amendment, along with our most basic rights. “Our liberty depends on the freedom of the press,” said Jefferson, “and that cannot be limited without being lost.”


Engeland

In an open democratic society, freedom of speech and press is essential. The citizens of that country should be able to criticize their government and be free to express themselves over certain issues, even for issues that are unpopular and sometimes unorthodox. For hundreds of years English law did not believe this to be true because of their laws limiting criticism of the government and state’s religion. After new acts and laws have passed, organizations such as Reporters Without Boarders find England to be one of the freest countries in the world. [1]

Historische achtergrond

England is part of the United Kingdom which consists of Scotland, Northern Ireland and Wales. The Acts of Union of 1707 brought together the kingdom of Scotland and England. England is an island located northwest of France in the Atlantic Ocean and is connected to Scotland. The population of Britain is 63,047,162 and more than 90 percent of the population are white and speak English.[2] Over 80 percent of the population lives in urban areas like London, which is the capital. The current English government is a Constitutional Monarchy with a Parliament. The English Parliament ultimately runs the country and consists of the appointed House of Lords and the elected House of Commons.[3] There are three main political parties in England: the Conservative, Liberal Democrats and the Labor Party. England has been a frontrunner in economics, military and industry for many years. England ruled over the Thirteen Colonies in America in the 1600s and 1700s, but because of England’s oppressive government on issues like freedom of expression and religion, the United States officially broke free from England in 1783.

Historically, England has some of the strictest laws on freedom of the press. In 1538, King Henry VIII issued a licensing law for all publications.[4] The law proclaimed that anyone who wanted to print something, from books to shipping schedules, had to have a license.[5] This law prevented the publication of opinions with which the King did not agree. This was called prior restraint, which was action taken by the government to prohibit publication of a document before it is distributed to the public.[6] The citizens protested this law for example, the poet John Milton’s speech, “Areopagitica—A Speech for the Liberty of Unlicensed Printing.[7]” Eventually, when Parliament overthrew King Charles they abolished the licensing system, but enacted their own licensing laws which ended in 1694.[8]

Another law that prohibited freedom of the press in England was the law of seditious libel and defamation. The seditious libel law made it a crime to publish anything disrespectful of the state, church or their officers.[9] This law was punishable by death, even if the claim was true. Truth was not a defense for seditious libel, if a person’s reputation was harmed, the offender could be punished. In the 9th century King Alfred the Great believed that people guilty of slander should get their tongues cut out.[10] The laws in England no longer end in the loss of one’s tongue, but there are financial penalties. One prominent libel case in England was the “McLibel” case. This case was between McDonald’s and two members of the London Greenpeace, a local activist group, David Morris and Helen Steel. The organization published a pamphlet, “What’s Wrong with McDonald’s?” and handed them out in front of McDonald’s restaurants. McDonald’s sued, but Morris and Steel fought the longest libel case in England’s history, it lasted for 2 and a half years. McDonald’s was rewarded £96,000 in damages, but their reputation was harmed by the claims in the pamphlet.[11]

Vrijheid van mening

Over the past few years, England has increased the freedom of the press. In 2009, after a long struggle by free speech campaigns, the United Kingdom’s government abolished the laws on seditious libel and criminal defamation.[12] For hundreds of years these laws have not allowed for criticism of the government and now journalists and the media are free to criticize the government. In April of 2012 the United Kingdom has said that open justice is an essential principle of the constitution, and the public has the right to obtain copies of documents submitted in court cases.[13] The decision came from a case where de bewaker newspaper wanted to obtain copies of the briefs and evidence in an extradition case used by the court. The newspaper requested information for a piece they were working on. At first the court did not believe the public should be allowed these documents for a number of reasons. Eventually, the court reaffirmed the idea of open justice and now allows public to see documents submitted in court cases which allows for greater freedom of the press.

In England, before the time of a democratic Parliament, laws under the Monarch were very strict. Freedom of speech, similar to the freedom of press in England, had been stifled by government. Government created laws to ban the public’s criticism of government. In the 1600s John Locke, the English philosopher, believed that government censorship was an improper exercise of power and freedom of expression is a natural right.[14] Many years after John Locke, England agreed with the philosopher when the United Kingdom joined the European Convention on Human Rights. The European Convention on Human Rights is a group that is aimed at furthering the realization of human rights and personal freedoms in Europe. Now, citizens in England have the freedom of expression in accordance with the law under Article 10 of this document. The right to freedom of expression is not an absolute right, it must fall under the conditions and restrictions of law, but it does give more freedom to speech in England.[15] One of the laws that restrict freedom of expression is the Incitement to Racial and Religious Hatred in England. The Race Relations Act of 1976 says that a person commits an offense if: he publishes or distributes written matter which is threatening, abusive or insulting or if he uses in any public place or meeting words which are threatening, abusive or insulting.[16] In 2006, a man was convicted of inciting racial hatred during a protest against cartoons which were offensive to Islam. Mizanuar Rahman said that soldiers should be brought back from Iraq in body bags and a jury found him guilty for using words with the intent to incite racial hatred.[17]

Currently in England, a teenager is accused for making offensive comments about the deaths of British soldiers in Afghanistan. Azhar Ahmed was charged under the Communications Act of 2003 and faces a racially aggravated charge.[18] Azhar ranted about the deaths of these soldiers getting more attention than innocent families in Afghanistan that have been killed. Azhar tells the soldiers to “DIE & go to HELL! The LOWLIFE FOOKIN SCUM!”.[19] While these may be offensive words to a soldier and their families, one could argue that this is not racially offensive and the young man should not be charged for racially aggravated words.

Comparison Between England and the United States

England in comparison to the United States on freedom of press has similarities and differences. The freedom of press in England has evolved and improved since the times of the Licensing Acts, similar to the United States and the Alien and Sedition Acts. The big difference between the two countries concerning freedom of press is the issue of libel. Historically, the United States left the cases on libel up to the states to decide until New York Times v. Sullivan in 1964. In this case the court sets a new precedent not allowing public officials to silence their critics. The court believes that the press has the right to criticize a public figure. After this case, it has been very difficult for the plaintiff to prove actual malice and be awarded damages. In England, libel cases are much easier to win. A 2009 newspaper article claimed that libel cases were at a record high in Britain because celebrities use the British courts to silence their critics. In 2009 alone, there were 298 defamation cases in England, and most of these were from foreigners.[20] According to the Daily News article, many publishers cannot afford the cost of a libel trial, so they pay the damages to avoid the expensive trial.[21] This suggests that the freedom of the press in the United States is much freer than in England. In the United States, the press can freely criticize a public figure—a celebrity or public official, without worrying about defamation or a libel case.

Similar to freedom of the press, freedom of speech is freer in the United States than in England. Although England promises freedom of expression under Article 10 of the Human Rights Act, it is still very limited. The big issue of inciting racial hatred in England has been an issue in the United States, too. Brandenburg v. Ohio in 1969 demonstrates freedom of speech in the United States when Clarence Brandenburg, a KKK member said that all African-Americans should be sent back to Africa and spouting other racial hatred speech. Brandenburg was convicted, but the USSC overturned his conviction. Also, in the case R.A.V v. City of Saint Paul, a minor burned a cross in the fenced-in yard of an African-American family and was not convicted because it was freedom of expression. In England, in 2010 a boy pleaded guilty to inciting racial hatred after he put a video on Youtube which showed a Black man getting hanged by the KKK.[22] This suggests that the United States has more freedom when it comes to speech and expression then England does.

Since the Thirteen Colonies officially split with England in 1783, the United States have furthered freedom of speech, press and religion to her citizens. United States citizens pride themselves on the First Amendment and the evolution of those freedoms during the past 236 years. The United States has had ground breaking cases like New York Times v. Sullivan en Texas v. Johnson which expanded both freedom of speech and press. England’s laws over personal freedoms have also evolved since the democratic Parliament has gained more power, but in comparison to the United States, the United States has greater freedom of speech, press and expression.

List of site sources >>>


Bekijk de video: LINC Kebebasan Media Hari Ini Untuk Hari Esok Yang Cerah (Januari- 2022).